Schrijf en zie niet om

In ons land is de literatuur zo lang een bezigheid van dominees en domineeszonen geweest, dat lezen voor velen nog steeds een vorm van kerkgang is. We lezen voor ons plezier, maar het moet ook een beetje pijn doen. Zo signaleert criticus Hans Goedkoop in zijn inventarisatie van het afgelopen boekenseizoen (`Niets is meer te dol', NRC Handelsblad, 7 juli) hoeveel sombere geluiden er in onze literatuur klinken. Volgens veel schrijvers staan we op de rand van de afgrond. Een lezer die zich de afgelopen jaren had beperkt tot de onheilstijdingen van P.F. Thomése (`De narcistische samenzwering'), Herman Franke (`Het wordt tijd voor een cultureel reveil') en het gefoeter van Mulisch-adept Wessel te Gussinkloo zou niet denken dat in dit land nog boeken verkrijgbaar waren buiten de bekentenissen van Connie Palmen, Lulu Wang en Heleen van Royen.

Tot voor kort konden een paar juichende kritieken een roman tot het succes van het seizoen maken – de Opwaaiende zomerjurken van weleer. Nu ligt die macht bij de televisie, en, uiteindelijk, bij de uitgevers die de televisiemensen ompraten. De smaakmakers van voorheen hebben het nakijken. Hun fixatie op de autobiografische bestsellers bereikte dit voorjaar een dieptepunt met de parodistische brievenroman Toktok die vertaalster Barber van der Pol en de essayisten Arnold Heumakers en Piet Meeuse onder pseudoniem schreven. Drie elitaire literatoren die een gooi doen naar het laagste. En missen. Want voor banaliteit moet je ook talent hebben.

Was het maar vroeger, luidt het koor dat op de achtergrond van al deze boutades klinkt. Want vroeger lazen de mensen nog mooie boeken. Het is alleen niet duidelijk over welk vroeger het dan gaat. Zo verklaarde de Britse schrijver V.S. Naipaul – de schutspatroon der cultuurpessimisten met zijn vrouwenhaat, vreemdelingenhaat en zijn treurige hang naar prijzen en titels – in zijn recente Lezen en schrijven hoe het komt dat hij al een hele tijd geen romans heeft geschreven. Voor hem leent onze tijd zich niet voor fictie, want we leven in een periode van in elkaar schuivende culturen, onduidelijke regels en een wijkende moraal. Anything goes. Dan leefden de grote negentiende-eeuwse romanciers in een overzichtelijker wereld, meent Naipaul.

Het is een simpel geval van historisch gezichtsbedrog. Ons land wordt zo langzamerhand overwoekerd door afgestudeerde historici die iets met hun vak willen doen, en één van hen zou Naipaul in een middag erin kunnen bijscholen dat de negentiende eeuw al geruime tijd bekend staat als de eeuw waarin God stierf, de grote trek naar de steden begon en elke generatie zijn eigen revolutie aanstichtte. Het was een warboel. Pas in de boeken lijkt het een ordelijke tijd.

Dat we nu in wanhopig chaotische tijden leven, is in literaire kringen zo langzamerhand een keihard dogma geworden, al merkt de burger met een dertiende maand en een aandelenportefeuille er weinig van. Alleen de manier waarop we van de wereld horen is haastiger geworden, nu we tientallen televisiekanalen in huis krijgen en internet de nieuwe dorpspomp wordt. De berichtgeving komt zo snel achter de real time aan dat we er zelf een sluitend verhaal van moeten maken.

Dit is een tijd van onvoltooide verhalen, en de schrijvers die daarover klagen, verstaan hun vak niet. Want onze tijd is net zo goed een literaire goudmijn als de troebele negentiende eeuw er één was voor de klassieke roman. Het materiaal ligt voor het oprapen. Het is alleen aan de schrijver om er een meeslepend verhaal van te maken.

Onze literatuur is geen afgestoft autowrak, zoals debutant Marek van der Jagt op 22 juli in deze krant stelde. Ze lijkt meer op een klasje mokkende spijbelaars. Is het publiek benieuwd naar een roman die deze tijd van `exhibitionistische zelfverrijking' in alle diepte en kleur laat zien? Dan zijn we bij onze schrijvers aan het verkeerde adres, want die zijn onder de banken gedoken. Laat de columnisten het maar opknappen.

Van der Jagt heeft de nodige spot geoogst met zijn roep om een gevaarlijke roman. Misschien is het moeilijk een roman te bedenken waar we voor moeten oppassen in het donker. Maar naar veilige literatuur hoeven we niet te zoeken. Daar liggen de winkels vol mee, want de restauratieve tendensen van de jaren negentig zijn doorgeslagen in pure braafheid. De oude Grieken en Romeinen waren het succes van de vorige boekenweek, en de dichter die de antieke mythen niet kent, kan het wel schudden nu. Ver-van-ons-bedliteratuur. Wie geen historische roman schrijft, is een dief van zijn eigen portemonnee. Want vroeger is chic.

Cultuurpessimisme sells. Het is veilig preken voor eigen parochie. Het merendeel van de huidige lezers is opgegroeid in een tijd dat de economie alleen maar goed was voor de slechte mensen, en daarom lezen ze graag, bij wijze van straf, hoe we onherroepelijk naar de verdoemenis gaan nu het zo goed met ons gaat. Maar voor de generatie onder de veertig zijn deze boetepreken een dode taal. Waarom klagen? Dit is de beste van alle werelden: een open arbeidsmarkt, welvaart voor iedereen die niet op zijn achterhoofd is gevallen en snelle reizen naar alle uithoeken van de planeet. Alles is mogelijk, behalve er een boek over lezen. Wie een hedendaagse roman wil lezen moet niet bij onze schrijvers zijn, want die kijken alleen maar achterom.

Herman Stevens is schrijver.

    • Herman Stevens