Ruimte, voor wie?

NEDERLAND IS een land van papier. Dat ondervinden vooral de mensen die zich hier willen vestigen of, eenmaal gevestigd, zich met hun gezin willen herenigen of met iemand van buitenlandse herkomst willen samenleven. De weg naar de vereiste vergunning zal, ondanks de stroomlijning van de wet, een lange en zware blijven. Dat, zegt men, is een gevolg van het misbruik dat van de gezinshereniging en -vorming wordt gemaakt, soms met criminele bedoelingen. Tegelijkertijd is ontmoediging een vast bestanddeel van het vreemdelingenbeleid geworden. De bureaucratie verleent hier hand- en spandiensten. Hoe meer mensen met behulp van een lastige en ingewikkelde procedure kunnen worden afgeschrikt om zich voor langere tijd of permanent in Nederland te vestigen, hoe beter. De slogan Nederland is vol, is de grondslag van die benadering.

Ruimtelijke ordening wordt doorgaans benaderd vanuit de vraag aan welke maatschappelijke functie de beschikbare ruimte moet worden toebedeeld. Het gaat dan om zaken als de omvang van Schiphol, de aanleg van de HSL- of de Betuwelijn, de uitbreiding en het gebruik van het wegennet, vinexlocaties, stadsuitbreiding en de ligging van industrieterreinen. Maar ruimtelijke ordening kan ook worden benaderd vanuit de vraag: ruimte, voor wie? Hebben de gevestigde, de autochtone Nederlanders een vanzelfsprekend streepje voor op de nieuwkomers, de allochtonen? Is het toelaten van vreemdelingen niet meer dan een gunst of gaat het om een existentiële noodzaak?

NIET TE ONTKENNEN valt dat Nederland, zijns ondanks, immigratieland is geworden. Verantwoordelijke ministers schrikken er niet langer voor terug dat toe te geven en er consequenties voor hun beleid aan te verbinden. Het probleem is alleen dat Nederland een onvrijwillig immigratieland is. In de 19de en 20ste eeuw beschikten immigratielanden over veel ruimte die ten behoeve van hun economische ontwikkeling met arbeidskrachten van elders werd gevuld. Nederland, en daarmee is het binnen Europa niet uniek, heeft hoogstens behoefte aan selecte categorieën die de fricties in de samenleving kunnen helpen wegnemen. In zekere zin vallen daar ook illegalen onder, voor het verrichten van zwaar, vuil en onaangenaam werk. De verzorgingsstaat met zijn sociale verzekeringen en minimumloon kan deze mensen letterlijk niet plaatsen, maar de aanwezigheid van illegalen heeft alles te maken met de vraag naar hun diensten. De Franse minister van Binnenlandse Zaken, Chevènement, heeft dit kortgeleden op een informele EU-bijeenkomst met zoveel woorden als toekomstige richting voor het Europees beleid aangegeven.

De praktische kant van de kwestie maakt het aantrekkelijk een onderscheid te maken tussen hen die hier al zijn en de mensen die aan de deur kloppen. Anders gezegd, de ontmoediging zou moeten ophouden zodra de betrokkene over een verblijfstitel beschikt. Met het oog op de integratie in de Nederlandse samenleving spreekt alles voor dat laatste, maar de mogelijkheid van een eenvoudige en versnelde integratie doorkruist nu juist de ontmoediging van nieuwkomers. Voor dat dilemma is geen oplossing voorhanden, en dat zal nog wel even zo blijven. Het geval-Gümüs illustreerde dat. Een geïntegreerde illegaal die in zijn eigen onderhoud en dat van zijn gezin voorzag, moest het land uit om duidelijk te maken dat integratie alléén geen verblijfsrecht oplevert. De man werd zo een symbool – dat overigens weinigen heeft ontmoedigd.

OP IMMIGRATIE rust een aantal taboes die het ontwikkelen van consistent beleid niet simpeler maken. Het gebruik dat vreemdelingen maken van het asielrecht om Nederland binnen te komen, was er één. Inmiddels is het onderscheid tussen politieke en economische vluchtelingen algemeen aanvaard. Ook de voorvechters van een zo open mogelijk Nederland zien in dat de politieke vluchteling het kind van de rekening dreigt te worden als dat onderscheid troebel blijft. Anderzijds heeft de tragedie in Dover duidelijk gemaakt dat het zoveel mogelijk voorkomen van oneigenlijk gebruik van de asielprocedure effecten oplevert waaraan niet schouderophalend kan worden voorbijgegaan.

Het volgende taboe dat nu moet worden geslecht is dat op de illegalen. Het is één ding om de mensensmokkel te bestrijden, het is iets anders om de illegale arbeid onder controle te brengen. Zonder de specifieke vraag op de arbeidsmarkt zou er immers nauwelijks een illegalenprobleem bestaan. In Nederland levert de problematiek van het illegaal aspergesteken jaarlijks een justitieel carnaval op waarbij de autoriteiten doen alsof. Het gaat om seizoenarbeid die niet de kern van het vraagstuk vormt, maar de bestrijding van het verschijnsel levert politiek dividend op. Het wordt tijd om toe te geven dat illegale arbeid een vast bestanddeel van de arbeidsmarkt is. Maar dat vereist de erkenning dat de regelgeving aan de `onderkant' van die markt een legale aansluiting tussen vraag en aanbod in de weg staat. En dat is wel het zwaarste taboe dat op de Nederlandse maatschappij rust.

RUIMTE, VOOR WIE? Ook voor vreemdelingen die met hun werkkracht een bijdrage leveren of kunnen leveren aan de Nederlandse samenleving. Dat vereist een nieuwe, open instelling, vrij van taboes, van de politiek zowel als van de samenleving als geheel. Het vereist ook een moedige, scherpe en consequente selectie bij binnenkomst. Waarom ook niet? Het gebruik van de Nederlandse ruimte verdient niet minder.