OLYMPISCH ZWEET

Ze zou best een studie willen volgen. Maar badmintonster Judith Meulendijks heeft er geen tijd voor. Ze bereidt zich voor op haar grote doel, de Olympische Spelen in Sydney. Dat is twee keer per dag trainen, zes dagen in de week. In totaal zo'n twintig uur per week. Eén dag is ze vrij, maar dan gaat ze meestal toch nog een half uurtje hardlopen. Anders bestaat de kans dat ze zich nutteloos gaat voelen. Ze noemt badminton haar dagelijkse werk. Toch verschilt het sterk van een normale baan. Want ook als Meulendijks niet `werkt', staat alles in het teken van dat werk, in dit geval van Sydney. Ze gunt zich geen etentje buiten de deur of bezoek aan de bioscoop. Dat kost te veel tijd, dat leidt te veel af, dat is te vermoeiend. Het komt regelmatig voor dat ze 's avonds voor tien uur op bed ligt. Ontspanning vindt ze hoofdzakelijk in de weekeinden. Als ze terug gaat naar het ouderlijk huis in Helmond. Maar ook dan doet ze niet te gek. Winkelen, haar oma's bezoeken, dat soort dingen. En ze maakt langs het kanaal haar `vrije-dagloopje'. Ze komt regelmatig `total loss' thuis. Dan heeft ze tempotraining gedaan. Dan heeft de trainer haar de shuttles in hoog tempo aangegeven: tien rijtjes van 25 shuttles. En dan moet zij ze zo goed mogelijk terugslaan. Naarmate de Spelen dichterbij komen, wordt het aantal shuttles minder, maar neemt het tempo toe.

Aflevering vijf van een serie over Nederlandse sporters op weg naar de Olympische Spelen.

    • Hans Klippus