Het eigene en het andere

Woest was Oostenrijk toen de EU sancties afkondigde omdat Haider in de regering kwam. Nu zoekt iedereen schielijk een uitweg uit de impasse .

Maar wat is er eigenlijk aan de hand in Wenen?

Op zoek naar de fenomenologie van de Lederhose.

Over de Heldenplatz schalt de stem van Hitler. Hard. Veel te hard. Een groepje jongeren een eindje verderop kijkt op, hun blik quasi-neutraal. Ik moet me bedwingen niet snel een andere knop in te drukken, een andere stem te laten klinken.

'...melde ich vor der Geschichte nunmehr den Eintritt meiner Heimat in das Deutsche Reich.'

Het is de beruchte rede uit 1938, waarmee de Anschluss van Oostenrijk bij Duitsland een feit werd. Hij heeft hier geklonken, op deze plek, op een dag els deze, vanaf het balkon van de Hofburg.

Ze wisselen elkaar keurig af, goede en foute Oostenrijkers, op deze beeld- en geluidstentoonstelling in de open lucht, aan de rand van het imposante plein naast de Burgtor. De Austro-fascist Engelbert Dolfuss, de satiricus Karl Kraus, een anonieme, opgewonden radiojournalist in de jaren dertig die een voetbalwedstrijd van het nationale team tegen Engeland verslaat alsof het om een veldslag gaat, kanselier Kurt Schusnigg, Adolf Hitler. Oude radio stemmen.

Het is een koele avond in Wenen, de zomer is plotseling uit de lucht getrokken. Achter het geraas van Hitler zwelt nu het volkskoor van de massa aan, dronken, primitief en onbedwingbaar. Sieg Heil, Sieg Heil, Sieg Heil! Wanneer het geluidsfragment eindelijk stopt, druk ik meteen Sigmund Freud in. Krakend deelt hij mee dat hij gedwongen is geweest zijn vaderland te verlaten en in Engeland zal sterven.

De geschiedenis moet niet langer worden toegedekt, dat is de boodschap van deze tentoonstelling op de plaats van haar eigen onderwerp. Wat zich de afgelopen anderhalve eeuw op dit plein heeft afgespeeld, licht en schaduw, woede en vreugde, feestelijke uitgelatenheid en beklemmende massahysterie, het wordt hier allemaal getoond als een verzameling momenten die gevangen zijn in reusachtige lichtbakken, omringd door witte, wapperende vlaggen. Dit is de Oostenrijkse geschiedenis, zeggen de beelden. Dit is onze geschiedenis.

Het is ook levende geschiedenis. De tentoonstelling Wien Heldenplatz; Mythen und Massen toont een slotbeeld dat omineus en hoopgevend tegelijk is bedoeld: de mensenmassa die zich in februari van dit jaar op de Heldenplatz verzamelde om te protesteren tegen de regeringsdeelname van de fpo, de rechts-extremistische partij van Jörg Haider. De samenstelster, een zekere Alisa Douer, laat er geen misverstand over bestaan: bij de ingang staat een levensgrote tekst van haar in een lichtbak. Toen ze de tentoonstelling samenstelde, schrijft ze, had ze geen idee dat de Heldenplatz opnieuw een centrale plek in de actualiteit zou gaan innemen. Ze draagt haar werk op aan haar kinderen, omdat ze hen wil laten weten 'dat je je mening moet geven en niets zomaar zonder verzet moet accepteren. Ik wil niet dat ze me op een dag vragen waarom ik niets gezegd heb, terwijl ik daar de gelegenheid voor had.'

Het mes van het historisch bewustzijn snijdt aan twee kanten: wie eindelijk tot zich heeft laten doordringen wat er vroeger gebeurd is, weet ook meteen dat het allemaal weer kan gebeuren.

Beeldenstrijd tussen licht en duisternis

In het dagelijks leven van Wenen wisselen veelbetekenende verwijzingen naar het verleden en de actualiteit elkaar af. Elk gebaar is pregnant, ieder openbaar woord is geladen, niets lijkt zonder bijbetekenis. Verdedigers van de Oostenrijkse eer struikelen over zichzelf om de tolerantie en multiculturele diversiteit van het land te onderstrepen. Al op de luchthaven krijgt de toerist een blaadje in handen gedrukt met op het omslag een opvallende aankondiging van het Life Ball, het uitzinnige feest ten behoeve van aids-patiënten, dat jaarlijks wordt gevierd in het Rathaus. Onder een grote kleurenfoto van een uitdagend gekleed, zwart meisje, dat best wel eens een travestiet zou kunnen zijn, staat bij de overige evenementen: Shalom. Das Judische Wien.

De uitgever van het blaadje, de voormalige burgemeester van Wenen Helmut Zilk, somt in zijn Ten Geleide op hoe joods Wenen wel niet is. Wenen is veel joodser dan wij buitenlanders denken! De toon is defensief, om niet te zeggen verongelijkt. De landen die altijd klaarstaan om met een beschuldigende vinger naar de stad te wijzen wanneer het over antisemitisme gaat, nooit hoor je ze eens over het Joodse museum hier, of over de Talmoed-school of de Jewish Welcome Service (wat dat ook mag zijn). 'Gott sei Dank haben wir Wiener ein goldenes Herz.' Wij, schrijft Zilk, klimmen niet meteen op de barricaden om er op te wijzen dat Parijs geen Dreyfusplein of -straat heeft! Shalom!

Het is een beeldenstrijd tussen het licht en de duisternis. De opening van de Wiener Festwochen wordt in hetzelfde blaadje aangekondigd onder de dwingende slogan Wien, offene Stadt! Tijdens het openingsconcert, dat ik live op de televisie in mijn hotelkamer zie, wordt onder leiding van de Indiase dirigent Zubin Mehta een nauwelijks verholen lofzang op de gemeenschap der culturen gehouden, verenigd in een alle grenzen en vooroordelen overschrijdende muzikale verbroedering. De zusjes Pekinel (Turks) spelen op het openluchtpodium voor het Rathaus een concert van Mozart, het slot van Mahlers (joods) vierde symfonie wordt gezongen door de mezzo Marjana Lipovsek (Tsjechisch) en er is een toonzetting van een nieuwe tekst van de schrijfster Elfriede Jelinek, aartsvijand van de nieuwe regering. Onder normale omstandigheden zou dit niet opvallen, maar dezer dagen valt in Oostenrijk alles op.

Dankzij een directe verbinding met de tuinen van Schonbrunn, het buitenpaleis van de Habsburgers, zie ik uitheemse volksliedjes uit honderden kinderkelen klinken. Tussen ieder groepje blanke kinderen is zorgvuldig een gekleurd gezichtje gepositioneerd.

Op de toeristische website van de stad wordt trots vermeld hoeveel duizenden asielzoekers en immigranten Oostenrijk het afgelopen decennium heeft toegelaten. In de zijfoyer van de Staatsoper verdiepen goudgeblondeerde dames met bruine gezichten zich tussen de operabedrijven door in een tentoonstelling over het leven van de componist Ernst Krenek, een jood die in 1938 naar Amerika moest vluchten. Zijn bekendste opera Johnny spielt auf werd door de nazi's als het toppunt van entartete Kunst beschouwd, omdat de hoofdpersoon een Amerikaanse neger is.

Geen plaats voor argeloosheid

Loop een tijdje rond in Wenen en je wordt als vanzelf besmet met dat virus van de opzichtige duiding. Wat eerst verborgen bleef achter de onthechte barokke fa‡ades van de stad, openbaart zich plotseling tot in de kleinste alledaagse details. In deze stad is geen plaats voor argeloosheid. 'Het zou Wenen niet zijn, wanneer het is wat het lijkt', luidt de titel van een van de vele essays van de joodse schrijver Robert Menasse, die van de verknipte Oostenrijkse identiteit zijn specialiteit heeft gemaakt.

In het Herbert von Karajan-centrum, een high-tech ruimte waar de fan alle cd's van de Duitse dirigent kan kopen of urenlang achteroverleunend in een futuristische leunstoel naar videoregistraties van zijn concerten kan kijken, laat ik me door een jongen met de helderste blauwe ogen die ik ooit gezien heb vertellen wat er op het programma staat. Met ingehouden trots kondigt hij een tentoonstelling aan over de Amerikaanse dirigent en componist Leonard Bernstein. Ik ben verbaasd en waag op te merken dat die twee superego's, Bernstein en Karajan, niet bepaald de beste vrienden waren.

Dat had ik beter niet kunnen zeggen. Het licht in de ogen dooft terstond. Dat is allemaal schromelijk overdreven door de pers, zegt de jongen, en hij keert me de rug toe.

Hoe moet ik dit opvatten? Ben ik onbeleefd geweest, door een onaangename opmerking te maken in een stad waarin iedereen ieder uur van de dag zo vreselijk zijn best doet om aangenaam te zijn? Of zit er meer achter? Is het opnieuw geen toeval dat het Herbert von Karajan-centrum juist nu een tentoonstelling wijdt aan de joodse dirigent die Karajan achter zijn rug 'die oude nazi' noemde?

Zout in open wonden

Hier en daar neemt de beeldenstrijd groteske vormen aan. Een van de foto's op de tentoonstelling op de Heldenplatz toont het plein als theater: het is een scène uit Heldenplatz, het schandaalstuk van Thomas Bernhard uit 1989. Het was zijn zwanenzang. Nog één keer wreef Bernhard zout in de open wond van het Oostenrijkse verleden, zoveel mogelijk zout, tot woede en ontzetting van rechts Oostenrijk, de omstreden bondspresident Kurt Waldheim voorop. Het stuk wordt nu opnieuw gespeeld in

het nabijgelegen Burgtheater, een van de artistieke verzetshaarden tegen de huidige regering.

Ook Bernhard koppelt in zijn stuk heden en verleden aan elkaar. Heldenplatz is één lange, retorische woedeaanval op het hedendaagse Oostenrijk, een sublieme, maar nergens onderbouwde scheldpartij. Een joodse professor pleegt zelfmoord door uit het raam te springen van zijn appartement met uitzicht op de Heldenplatz. Zijn vrouw lijdt aan een waanvoorstelling: als zij in de eetkamer zit, hoort zij steeds het Sieg Heil Sieg Heil van de Oostenrijkse massa die Hitler toejuichte op het plein. Het is hier nu erger dan vijftig jaar geleden, heeft de professor vlak voor zijn dood gezegd. Na de begrafenis borduurt zijn broer uitgebreid voort op die stelling. Dit land is een mestvaalt, zegt hij. Alles en iedereen moet het ontgelden: de machthebbers, de katholieken (de zwarten), de socialisten (de roden), de kranten, het theater, de schrijvers, de steden, de Weners ('alles Judenhetzer'), het platteland. Het stuk eindigt met de spreekkoren van de Heldenplatzmassa, waarna de vrouw van de professor dood of bewusteloos met haar hoofd in een bord soep valt.

In de elf jaar na de première is het schokeffect van het stuk verdwenen. In de zaal zitten veel jonge mensen die op de reputatie van Heldenplatz moeten zijn afgekomen. Ze lijken het stuk op te vatten als een vorm van scherp cabaret. Op alle verwijzingen naar de actualiteit, de schofferingen van herkenbare figuren en honende zinnetjes over de kwaliteit van de pers volgt instemmend gelach.

Het maakt niet uit wat je stemt in dit land, zegt de broer van de dode professor. De roden hebben geen karakter, de zwarten zijn gewoon dom, op wie je ook stemt, het is altijd een corrupt zwijn. Luid applaus. Eén uitspraak wordt door de hele zaal als profetisch herkend: 'Die Roten und die Schwarzen spielen alles die Nazis in die Hände.'

Ik zit tussen luid gniffelende mannen en vrouwen en probeer te bedenken welk ander Europees land een stuk als Heldenplatz zou kunnen voortbrengen, zo vervuld van een zelfreinigende woede, polemisch tot op het bot, van begin tot eind geobsedeerd door nationale identiteit. Heldenplatz gaat veel verder dan politiek theater, het presenteert de natie zelf als existentieel drama. Heel het gapend menselijk tekort, de vergankelijkheid, de verrotting, het verlies van dierbaren, 'das Widerliche' en 'das Nieder trächtliche' en 'das Entsetzliche' op deze wereld, de fundamentele onmogelijkheid van het bestaan, Bernhard vat het samen in één verpletterend beeld: Oostenrijk. Nooit is het Bernhard gelukt zijn vaderland los te laten. Oostenrijk is het bestaan zelf, zíjn bestaan.

Bernhards retoriek is doordrongen van een vrolijke wanhoop en een troostrijke zelfhaat. Maar wat het publiek in het Burgtheater doet gnuiven is niet die sardonische verlustiging in het menselijk onvermogen. Het is de provocerende directheid van de personages. Het is de triomfantelijke, ongegeneerde botheid waarmee de ergste dingen over Oostenrijk worden gezegd, dingen die je misschien wel denkt, maar nooit direct zult zeggen, niet als je Oostenrijker bent.

Die gewaarwording bezorgt me een ongemakkelijk gevoel, waartegen zelfs mijn bewondering voor Bernhard niet is opgewassen. Een ongegeneerde botheid, een radicale kritiek op de vastgelopen maatschappij - is dat niet wat zoveel Oosten rijkers in Dr. Jörg Haider bewonderen?

Een verbeten staatssecretaris

'Wij zijn een moderne partij. In tegenstelling tot zoveel andere politici hier zeggen we wat we menen. En we handelen ernaar.' Frau Doktor Mares Rossmann, de staats secretaris van toerisme, ziet er zelf ook modern uit. Ze heeft een zakelijk blond kapsel, draagt een kordaat mantelpak. Het is warm. De sfeer in haar kantoor, gehuisvest in het van buiten majestueuze ministerie van Economie aan de Ringstrasse, is nadrukkelijk informeel. In het voorvertrek werken jonge vrouwen, armen bloot, zonnebril in het strakgetrokken haar. De radio speelt popmuziek.

Ons gesprek is minder ontspannen. De fpo-politica kijkt onophoudelijk naar de twee bandrecorders op de tafel in haar kantoor; een van mij, een van haar. Ze moet niet alleen op haar woorden passen, maar er ook op letten dat ieder woord zonder verdraaiïng of betekenisverschuiving de wereld ingaat. Er zijn al genoeg moedwillige misverstanden geweest. De media, de linkse media! Niet Haider is dubbelzinnig in zijn uitspraken over het verleden van Oostenrijk, articuleert ze nadrukkelijk, het zijn de media die zijn woorden voortdurend duister kleuren of opzettelijk verkeerd vertalen. Laat één ding duidelijk zijn, Dr. Jörg Haider drukt zich altijd glashelder uit. Maar in Oostenrijk zijn ze deze directheid niet gewend, men is hier gewend eindeloos om de hete brei heen te draaien of heikele kwesties eenvoudig onder het vloerkleed te vegen. Geen wonder dat het verzet tegen de Freiheitlichen zo heftig is, en dat zal ook nooit ophouden, want de fpo is een hervormingspartij die nu eens niet terugschrikt voor politieke taboes. En ondanks het offensief van de Internationale van linkse politici in Europa komt die boodschap heus wel aan.

De sancties van de Europese Unie vertegenwoordigen op geen enkele manier de stem van het volk. Integendeel. Ze zwaait met cijfers. Alleen al in maart een toename van ruim 10 procent aan overnachtingen van toeristen. Vooral Belgen, Nederlanders en Zwitsers hebben zich niets van de sancties aangetrokken. 'We moeten de heer Michel (de Waalse minister van Buitenlandse Zaken) har-te-lijk bedanken voor het feit dat hij een vakantie in ons land een immorele daad heeft genoemd. Al die toeristen komen in plaatsen met een fpo-burgemeester, ze zien hoe goed alles gaat en denken, hadden wij thuis ook maar zulke bestuurders.'

Haar ogen laten de casetterecorders niet los. Ik verbaas me over haar verbetenheid. Ze klinkt afwisselend kinderlijk triomfantelijk en verongelijkt. Zij kan het ook niet helpen dat zij, of liever haar partij, altijd gelijk heeft. Maar heeft Oostenrijk dan helemaal geen imagoprobleem? probeer ik. Ik geef het voorbeeld van het openingsconcert van de Wiener Festwochen, met zijn nauwelijks verholen toespelingen op de vreemdelingenhaat bij de nieuwe regeringspartij. Ze schudt beslist haar blonde hoofd. 'U moet het zo zien: onder de socialisten had een klein aantal kunstenaars een heel goed leven, ze werden volledig gesubsidieerd. Wij zijn voor de vrije markt, voor lle kunstenaars. Wij accepteren heus dat kunstenaars zich in een democratie kritisch uitlaten over de regering. Alleen hebben velen er hun beroep van gemaakt te ageren tegen de Freiheitlichen. Iedere kunstenaar die op ons scheldt, kan op aandacht van de media rekenen, zijn werk komt op de tweede plaats. Maar alle verstandige kunstenaars weten dat wij achter hen staan. Onze Hauptmann Dr. Jörg Haider gaat in zijn deelstaat Karinthië ook over het kunst beleid. Toen hij aantrad zeiden heel wat kunstenaars dat ze zouden emigreren en nu hoor je niets meer, iedereen is uiterst tevreden.'

Ons volk heeft recht op arbeidsplaatsen

Maar de vijandigheid jegens haar partij, zeg ik, wordt gevoed door de ultrarechtse retoriek van haar politici en de ambivalente uitspraken van Haider over het nazi-verleden van Oostenrijk. Daar komen nauwelijks linkse media aan te pas.

Ze zucht. Ze wil het nog wel eens uitleggen. 'Veel is in Oostenrijk lange tijd taboe geweest. Ik ben van een generatie die op school niets geleerd heeft over de gruwel daden die tijdens de Tweede Wereldoorlog hebben plaatsgevonden. Dat werd allemaal weggestopt, er werd in dit land domweg niet over gesproken. Let wel, er was toen een socialistische regering aan de macht! Godzijdank leren kinderen nu op school ook over de misdaden die toen gepleegd zijn.'

Ze laat een stilte vallen. 'Maar als je het verleden onder ogen ziet, moet je geen taboes maken van de problemen van vandaag. Je hebt tegenwoordig zogenaamd 'goede' en 'slechte' Oostenrijkers. De goeden schuiven alle problemen onder het vloerkleed en zeggen dat onze grenzen voor iedereen open moeten staan. Maar wij van de fpo beseffen dat je niet voor iedereen open kunt staan, want onze bevolking heeft ook recht op arbeidsplaatsen. Je kunt pas openstaan voor anderen als er genoeg werk is. En je moet ook beseffen dat integratie een langzaam proces is. Niet meer dan dertig procent buitenlandse kinderen in een schoolklas, vinden wij. Anders komt de integratie in het geding. Wij staan trouwens in Europa bovenaan wat de opname van vluchtelingen betreft. Wij hebben de meeste vluchtelingen uit Kosovo en uit het voormalige Joegoslavië opgenomen. Ook mensen met een laag inkomen hebben daar hun steentje aan bijgedragen. En daaruit blijkt hoe goedgezind de Oostenrijkers de buitenlanders zijn.'

Uit haar mond klinkt dit als een absurde slagzin, even absurd als het aanprijzen van alle joodse attracties in het toeristenblaadje. Maar ze kijkt me aan alsof ze zojuist iets voor eens en voor altijd heeft rechtgezet. Is het niet vermoeiend, vraag ik haar, om altijd maar weer meteen in de verdediging te moeten gaan, om jezelf voortdurend te moeten rechtvaardigen tegenover een vijandige buitenwereld?

'Verdedigen? Ik hoef niets te verdedigen. Uitleggen, ophelderen, rechtzetten, zo zie ik het. De fpo is de afgelopen jaren van een piepkleine partij gegroeid tot een regeringspartij waar meer dan een kwart van de kiezers op heeft gestemd en die wordt dus zwartgemaakt door de verliezende partijen, zo eenvoudig ligt dat. Wat ik wel wil toe geven, is dat onze buitenlandse politiek niet actief genoeg is geweest. Daarom praat ik ook zoveel mogelijk met mensen als u.'

Ten afscheid schenkt ze me een snelle, brede glimlach. Ze mijmert nog even over de patat met appelmoes die haar ouders de Nederlandse gasten in hun pension altijd op speciaal verzoek serveerden. Ze komt zelf uit de toeristenindustrie, bestierde jarenlang het toeristenbureau in Graz, de stad waar ze studeerde. Anders dan zoveel Oostenrijkse politici van de oude garde is zij niet afhankelijk van de politiek, benadrukt ze. Ze kan zo weer terug naar haar bedrijf.

In het kantoor van haar ministerie hangen de muren vol met toeristenposters van besneeuwde bergen en groene dalen. Het is steeds hetzelfde landschap. Temidden van de bergen ligt een lieflijk stadje. Graz. Op het grootste affiche heeft de staatssecretaris met viltstift aangegeven waar haar persoonlijke leven zich heeft afgespeeld. Kordate pijlen wijzen op Meine Wohnung, Mein Auto, Mein Jazzkeller. Ook de berg die achter Graz oprijst, is van haar. Het is een opmerkelijke daad van toeëigening. Ik kan er niets anders in zien dan een huiselijke, zelfgenoegzame versie van Bernhards beeld van Oostenrijk. Opdat er geen misverstand kan ontstaan: dit is haar Oostenrijk, dit is zijzelf.

Niets is wat het lijkt. Pas op de terugweg naar mijn hotel dringt tot me door hoe onthecht de staatssecretaris sprak over de nazi-tijd. 'Er hebben gruwelijkheden plaats -gevonden', 'er zijn misdaden gepleegd'.

In haar kordate zinnen ontbreken de daders. Het is de taal van het loze gebaar, ontdaan van iedere verantwoordelijkheid. Erkenning van een besmet verleden wordt door haar alleen gebruikt om het gelijk in de actuele politiek te halen. Het doet me denken aan de opmerking die een boer aan de grens met Slowakije een paar dagen geleden maakte tegen een Oostenrijkse kennis van me. In zijn tirade over het Europese onbegrip jegens Oostenrijk dook deze

onnavolgbare bijzin op: 'Natuurlijk is het afschuwelijk dat er in de oorlog zes miljoen joden gestorven zijn...'

Links populisme tegen rechtse retoriek

Het ongemak dat ik in het Burgtheater voelde, laat me niet los. Hoe verhoudt het intellectueel populisme van Bernhards Heldenplatz zich tot de retoriek van de rechtse pers in Oostenrijk? Neem de gesmade Neue Kronen Zeitung, verreweg de populairste krant van het land, vertolker van het ongezonde volksgevoel. Dagelijks wordt in deze tabloid gehoond en geïnsinueerd, bespuugd en bespot. Doelwit zijn altijd de linkse, intellectuele, decadente nestbevuilers, de sozialistische Österreichbeschmutzer, zoals ze op de verkiezingsaffiches van de fpo worden genoemd. De toon is een mengeling van partijdige schijnredelijkheid, agressie en verongelijktheid. Al die eigenschappen komen samen in de favoriete stijlfiguur van de populaire pers: de jij-bak.

Als bondspresident Thomas Klestil besluit een aanklacht in te dienen tegen de Weense fpo-voorman Hilmar Kabas, omdat deze hem in een vraaggesprek een Lump (schoft) heeft genoemd, dan moeten er ook direct aanklachten ingediend worden tegen de leider van de socialisten, omdat die de fpo in het buitenland voor nazi-tuig heeft uitgemaakt. Als wij niet deugen, dan zijn jullie nog veel erger. De volksverontwaardiging over de sancties van de Europese Unie wordt in de boulevardpers dagelijks aangewakkerd, de Oostenrijkse voorstanders van de sancties worden onbekommerd afgeschilderd als landverraders.

Landverraders: in dat begrip schuilt het wezenlijke drama. Net als in het werk van Bernhard wordt in de boulevardpers als vanzelfsprekend aangenomen dat 'Oostenrijker zijn' werkelijk iets betekent, iets dat verbonden is met je eigen bestaan, iets dat je ontrouw kunt worden, kunt bezoedelen.

Wie je bent, hangt nauw samen met wat je bent. Je kunt het haten of liefhebben, bespotten of bewieroken, maar het is van belang - je bent erdoor gevormd, je kunt het niet negeren.

Maar wat betekent het?

Wer sind die Patrioten und wer die Verräter? kopt het links-liberale opinieweekblad Format op het omslag. De betekenis van die woorden is afhankelijk van het perspectief van degene die ze gebruikt.

Zijn het de linkse politici en kunstenaars van het vaak zo larmoyante protest, de Widerstand, die zich de ware vaderlandsliefde mogen toeëigenen ('Ik wil niet dat ze me op een dag vragen waarom ik niets gezegd heb...'), of is het de partij van Haider, die uitgaat van een Oostenrijkse identiteit, die beschermd moet worden tegen bedreigende invloeden van boven (de Europese Unie) en van buiten (de asielzoekers)?

Dit is de strijd die je overal tegenkomt. Links propageert een Oostenrijk dat openstaat voor het andere (Wien, offene Stadt!), rechts klampt zich vast aan wat als het eigene wordt gezien, zoals het beminde Graz van staatssecretaris Mares Rossmann.

Thomas Bernhard op de koffietafel

In de fotomontage op het omslag van Format zijn de politici Haider, Schussel en Gusenbauer afgebeeld in traditionele klederdracht: jagershoedjes, bestikte jasjes, vrolijke bretels met edelweiss-patroon. Natuurlijk dragen ze ook Lederhosen. Die klederdracht symboliseert het vaderland, het gevoel van die Heimat. Er zit spot in die montage, de christen-democraat Schussel heeft een hippe elektrische gitaar in zijn handen, terwijl Haider en de sociaal-democratische leider Fred Gusenbauter een accordeon en een trompet bespelen.

Wie met Nederlandse ogen kijkt is geneigd het als achterlijk te beschouwen, die krampachtige strijd om iets wat in ons eigen land allang voorgoed is bijgezet als folklore, een pittoresk overblijfsel van een benepen volkscultuur. Bij een frase als 'het eigene' vallen ons nauwelijks meer gedachten in. Maar de Oostenrijkse werkelijkheid is anders. Niets is immers wat het lijkt. Je kunt er gerust van uitgaan dat de drie mannen op het omslag van het opinieweekblad thuis ook werkelijk zo'n traditioneel kostuum in de kast hebben hangen. Alle drie, niet alleen Haider.

En Thomas Bernhard? Die kleedde zich op het platteland niet anders dan deze mannen. In de boekwinkels van Wenen liggen royale fotoboeken voor op de koffietafel, waarin de grootste Österreichbeschimpfer onder de naoorlogse schrijvers wordt voorgesteld als de Heimatschriftsteller bij uitstek. Er is een boek over de huizen van Thomas Bernhard, een over de landschappen van Thomas Bernhard en een over het eten van Thomas Bernhard, met recepten en al. De schrijver, die eiste dat zijn boeken na zijn dood in zijn vaderland niet meer verkrijgbaar zouden zijn (een eis die door zijn

uit gever en erfgenamen vorstelijk is ge negeerd), zou zich omdraaien in zijn graf, als hij wist dat hij in deze koffietafelboeken de Oostenrijkse ziel moet verbeelden.

Maar kijk naar de talloze foto's van een ontspannen wandelende Bernhard in jagerskostuum en je ziet een gespletenheid die niet valt te negeren: dit is een man die vergroeid was met zijn natuurlijke omgeving, of hij het nu wilde of niet. Ze vielen samen. Wat hij haatte, had hij ook lief - en dat met een hartstocht die voor mij, moet ik mezelf bekennen, even bevreemdend als aantrekkelijk is.

Lederhosen in de Global Village

In Café Central komt een man in Leder hose binnen. Hij is jong, knap op een donkere, Italiaanse manier, de uitdrukking op zijn gezicht bozig arrogant. Voordat hij in een van de gestoffeerde nissen gaat zitten, kust hij een jonge vrouw op de mond. Zij heeft een modellenfiguur en draagt een strak, zwart jurkje van Christian Dior.

Hoe ongewoon is dat, vraag ik aan de kennis met wie ik koffie drink, een journalist van begin vijftig met een links verleden. Is het normaal om in een grote stad als Wenen in klederdracht rond te lopen? De man is in het beroemde Kaffeehaus de enige in traditionele kleren, maar niemand kijkt ervan op, er wordt niet gegniffeld. Ongewoon is het wel, zegt de journalist, die zelf een gebleekt spijkerjack draagt. Maar opmerkelijk is het niet. Hijzelf bezit ook Lederhosen. Het zit echt heel comfortabel, voegt hij er verontschuldigend aan toe. Maar hij zou die nooit hier in Wenen dragen, alleen thuis op het platteland.

Wat deze jonge man wil uitdrukken, legt mijn kennis uit, is dat hij een man is met gevoel voor traditionele waarden, conservatief in alle opzichten. Waarschijnlijk is hij naar de optocht van de Burschenschaften geweest, de traditionele, ultrarechtse studentenverenigingen, die zojuist voor het Rathaus geëindigd is. Zijn jonge vriendin of vrouw die tegenover hem zit draagt alle tekenen van de moderne wereld met zijn universele merkencultuur en wereldwijde communicatie. Ze heeft een mobiele telefoon op tafel liggen, naast haar op de bank staat een tas voor een draagbare computer.

Het zijn wereldbeelden die moeilijk verenigbaar lijken, maar ze lijken elkaar niet uit te sluiten. Integendeel. Het is Haider die voortdurend benadrukt dat Oostenrijk aansluiting moet vinden bij de global village, hij beschuldigt de traditionele politieke partijen van achterlijkheid op dit gebied.

Tegelijk bezingt hij de Oostenrijkse ziel, het nationale erfgoed, het smetvrije volksgevoel. Zo zijn hij en zijn geestverwanten al even schizofreen als hun linkse tegenstanders: lukt het progressieve Oostenrijkers maar niet hun ideaal van een open Oostenrijk te verenigen met hun even verfoeide als onuitroeibare Heimatsgevoel, de Haiderianen kunnen hun verliefdheid op de grote, uniforme wereld van welvaart en techniek niet goed rijmen met hun volkse eigenwaan. Links klampt zich vast aan het romantische ideaal van het andere, het gemengde, rechts koestert met verbeten hartstocht het eigene. Allebei zijn ze in werkelijkheid hopeloos gespleten. Het is - daar ben ik hier van overtuigd geraakt - bij uitstek een moderne gespletenheid, geen oprisping van oude kwade sappen, niet voorbehouden aan Oostenrijk alleen.

De journalist laat een litteken op zijn voorhoofd zien dat hij heeft overgehouden aan schermutselingen met de rechtse studenten in 1968. Nu moet hij erom lachen. Terwijl hij met smaak twee vettige worstjes in een dikke, bruine jus naar binnen werkt, vertelt hij hoe Wenen veranderd is. Vijftien jaar geleden stond hij op het punt om zelfmoord te plegen, omdat het leven in de stad verschrikkelijk was - al moet hij toegeven dat liefdesverdriet ook een rol speelde. Vroeger was alles zo grauw en benepen. Nu voelt hij zich hier heel prettig. Wat is er veranderd, vraag ik. De generatie van mijn vader is dood, zegt hij. Bijna, tenminste.

Niet dat het leven hier nu zo gemakkelijk is. De schijn bedriegt. Het politieke bestel is door-en-door verrot, machtsmisbruik is de regel, opportunisme regeert, zegt hij. Maar aan de andere kant valt er zoveel te koesteren. Hij vindt Wenen werkelijk een hartgrondelijk mooie stad. Dit café waar wij zitten bijvoorbeeld, met zijn gotische plafondbogen, was in zijn jeugd niets anders dan een sombere bouwval: pas zo'n tien jaar geleden is het volledig gerenoveerd. Het is nep, natuurlijk, maar aangename nep.

En de worstjes zijn heerlijk, zeker met een biertje erbij.

De man in Lederhose leest de Neue Kronen Zeitung. Een enqûte heeft uitgewezen dat het Oostenrijkse volk zich het meest ergert aan de sancties van de Europese Unie. Op de tweede plaats komen de harde onderhandelingen met een Amerikaanse advocaat over herstelbetalingen aan joodse dwangarbeiders tijdens de oorlog.

Ik vraag mijn kennis of hij zich hier nog ooit weg ziet gaan. Hij aarzelt. Ik denk van niet, zegt hij. Ik woon hier goed, ik heb werk en waar zou ik anders moeten wonen? Heimat ist Heimat, zegt hij aarzelend.

Is er een nieuwe Hitler opgestaan?

'Eigenlijk wil ik het helemaal niet over Haider hebben. Die is al zo overschat. En hij wil zelf niets liever dan dat er over hem in de media gesproken wordt. En de media zelf willen het ook alleen maar over hem hebben, hij heeft zijn succes aan hen te danken. Hij is een mediaster, omringd door fotografen, wereldberoemd inmiddels. Ik krijg cameraploegen uit Finland en Japan over de vloer en die willen maar één ding horen: dat in Oostenrijk een nieuwe Hitler is opgestaan. Dan zeg ik: Als u dat echt vindt, onderschat u de kwaadaardigheid van Hitler. En dan zeggen zij: Dus u verdedigt Haider?'

Brigitte Hamann zucht. Ze is een van de opvallendste historische biografen van Oostenrijk en - dat wist ik niet voordat ik haar opzocht in haar met boeken en papieren volgestouwde werkkamers in het 19de Bezirk - ze is van oorsprong een Duitse. 'Ik ben, zoals ze hier zeggen, ein Pifke en dat zullen ze je nooit laten vergeten, al woon je nog zo lang in deze stad.'

Hamann is een kleine, energieke vrouw, ergens halverwege de veertig. Ze schreef over het Wenen van de late negentiende eeuw, de nadagen van het Habsburgse Rijk, verscheurd door het onhoudbare ideaal van een multiculturele veelvolkerenstaat ('dat het werkte is een mythe: ze sloegen elkaar de kop in') en het groteske, Duitsgezinde, antisemitische nationalisme.

Haar populairste boek is een ontnuchterende biografie van keizerin Elizabeth (Sisi), waarmee ze de Habsburg-dwepers de gordijnen in kreeg. Ook aan Elizabeths zoon Rudolf, de idealistische kroonprins die samen met zijn maŒtresse zelfmoord pleegde in Mayerling, wijdde ze een afgewogen studie.

In de familieperikelen van de late Habsburgers valt gemakkelijk een spiegeling van het hedendaagse Oostenrijk te herkennen; het onbuigzame nationalisme van de vader, keizer Frans Jozef, tegenover de democratische ideeën van Rudolf, starheid tegenoveropenheid, gevoel voor decorum tegenover een hang naar zelfonderzoek. Dat is een van de redenen, merkt Hamann op, dat ze voor de historische biografie heeft gekozen: die laat zien hoe bepaalde figuren onherroepelijk met hun historische context verbonden zijn, zodat een tijdsbeeld ontstaat dat raakt aan de ervaring van het individu, vol tegenstrijdigheden, onoplosbare tegenstellingen en wrange ironie.

Haar beste boek is ook haar grootste waagstuk, de studie Hitlers Wien, waarin nauwgezet Hitlers ellendige jeugdjaren in het Wenen van begin twintigste eeuw worden beschreven. 'Toen ik het leven van Rudolf bestudeerde, kwam ik vanzelf in aanraking met de aanhangers van de Groot-Duitse gedachte, en hun leider, de antisemiet Schonerer. Het daagde me dat Hitler helemaal niets zelf bedacht had.

Alles, zijn ideeën over bijvoorbeeld raszuiverheid, symbolen als het hakenkruis en slogans zoals Koop niet bij joden!, had hij ontleend aan de rechtse extremisten die hij tijdens zijn jaren van armoe in Wenen was tegengekomen.'

Twintig jaar lang liep Brigitte Hamann rond met dat idee in haar hoofd, maar als Duitse in Wenen durfde ze niet te schrijven dat de Oostenrijker Hitler al zijn ideeën uit zijn vaderland had gehaald. 'Dat hele beeld van het fin-de-siècle Wenen is een mythe, riep ik, doe toch niet alsof in het Wenen van 1900 allemaal kunstminnende, kosmopolitische joden woonden! In de ogen van het merendeel van de Weners was het allemaal entartete Kunst wat hier gemaakt werd!'

Pas na de affaire-Waldheim waagde ze het erop. Toen konden de Oostenrijkers zich niet meer verschuilen achter de vrijbrief die de geallieerden hun aan het einde van de oorlog hadden verschaft. 'Het land was tot eerste slachtoffer van nazi-Duits land verklaard en hoefde zichzelf dus niets te verwijten. Maar de Oostenrijkers waren slachtoffers én daders, en dat werd na de oorlog consequent verdrongen.' Ze klinkt nu heel beslist. 'Dat vond ik zo afschuwelijk aan Haider, dat hij in een vraaggesprek de concentratiekampen uit de nazi-periode strafkampen noemde. Niet omdat hij de nazi-gruwelen wilde bagatelliseren, maar omdat hij zijn hele leven te horen heeft gekregen dat het ook werkelijk strafkampen gewéést waren. Dat was hem thuis verteld en op school leerde hij er helemaal niets over, want daar werd de officiële mythe van Oostenrijk als slachtoffer onderwezen. D t is afschuwelijk, dat Haider niets anders dan het topje van de ijsberg is. Wat hij zegt, is niets anders dan wat er op het platteland aan de Stammtisch wordt gezegd. Sinds de affaire Waldheim is dat veranderd. Veel Oostenrijkers werden eindelijk gedwongen hun eigen verleden onder ogen te zien. Er is een nieuwe generatie historici opgestaan en het lesmateriaal op school is sterk verbeterd. Als mijn boek over Hitler voor Waldheim was verschenen, woonde ik nu niet meer in Wenen. Nu heb ik alleen maar een paar anonieme brieven gehad.'

Haider is een modern probleem

De sancties vindt Hamann een gemiste kans. 'Ik had gehoopt dat de landen van de Europese Unie zich gezamenlijk over Haider gebogen zouden hebben. Ze zitten allemaal met het probleem van populistische politici die inspelen op angst. Haider is bij uitstek een modern probleem. Angst voor verlies van arbeidsplaatsen, angst voor vreemden die je alles af zullen nemen, die dingen steken overal steeds opnieuw de kop op, dat was in het Wenen van 1900 niet anders. Het succes van een partij als de fpo komt voort uit de zwakte van de andere partijen.'

Haider is niet de schuld van de Oosten rijkse misère, zegt Hamann. Maar ze denkt dat zijn dagen geteld zijn. Het lukt hem niet de rol van staatsman te spelen. 'Hij heeft zoveel mensen achter zich gekregen door zijn agressiviteit, zijn brutale beledigingen, dat horen ze graag aan de borrel tafel. Maar de Oostenrijkers willen geen agressieve bondskanselier. Misschien eindigt hij als quizzmaster.'

Brigitte Hamann woont inmiddels dertig jaar in Oostenrijk. In alles wat ze over haar tweede vaderland zegt, klinkt ambivalentie door. Houdt ze van het land, vraag ik haar ten slotte. 'Als ik door de straten van Wenen loop, denk ik altijd God, want ben ik gelukkig dat ik hier woon. Alles is zo mooi, zo vertrouwd. Ik ken alle gebouwen, ik ben overal zo vaak geweest, ik ken de gangen van Elizabeth, Rudolf, Hitler. Ik ben vergroeid met deze stad. Maar de mensen ergeren me. Aanvankelijk dacht ik, wat zijn ze hier aardig en behulpzaam, maar schijn bedriegt. Ze blijken behoorlijk achterbaks en oneerlijk. Voor de Weners ben ik ook te direct, dat vinden ze hier veel te onhoffelijk, je moet het aangenaam houden. Soms wordt het me te veel. Maar dan denk ik: ik woon toch maar in Wenen. Wenen is wunderbar.'

De Heimat van de vergetelheid

Het is een plek van weemoed en verschrikking. Als Weense kennissen me erover vertellen, klinkt hun stem zacht, alsof ze een kerk zijn binnengelopen. Ik ben in de Kaisergruft geweest, waar de Habsburgers rusten in hun lugubere praalgraven van zwart tin, ik heb het oneindig uitgestrekte Zentralfriedhof bezocht, waar tweeëneenhalf miljoen dode Weners hun eigen schaduwstad hebben. Maar al die plaatsen zijn minder ontzagwekkend, wordt me steeds verzekerd, dan het Friedhof der Namen losen.

Op mijn laatste dag in de stad ga ik erheen. Het is een gecompliceerde tocht met trams en bussen, die me ver buiten de bebouwde kom voert, maar uiteindelijk word ik afgezet bij een afgelegen terrein met reusachtige silo's. Ze zijn zwart uitgeslagen, alsof ze in brand hebben gestaan. Er is niemand te zien.

Daarachter ligt de Donau.

Het is eerste keer dat ik de rivier zie: een brede, trage stroom, gelijkmatig en massief. Langs de oever is een picknickplaats. Een grote Hongaarse familie heeft zich rond een walmende barbecue verzameld. Er wordt gezongen en hard gelachen.

De kleine begraafplaats ligt beneden aan de dijk, omringd door bomen. Hier liggen de doden die de afgelopen honderd jaar uit de rivier zijn gehaald en die geen naam hebben gekregen. Niemand weet wie ze zijn. Op hun graven staan kleine gietijzeren kruisen met een lijdende Christus, allemaal eender, rij na rij, allemaal met een plaatje waarop in sierschrift een jaartal is geschilderd. Daaronder: Unbekannt, of Namenlos. Bij een aantal kruisen is later toch nog een naam gevoegd, men heeft hun identiteit na de begrafenis kunnen vaststellen, zoals bij de elfjarige Helmut Maluk die in 1911 door onbekende hand in de Donau is verdronken.

Op de deur van een klein kapelletje bij de ingang van de begraafplaats wordt een dienst aangekondigd ter nagedachtenis van de naamlozen. Ik vraag me af wie daar op af zal komen op deze afgelegen plek. Waar denk je aan als je bidt voor hen die geen naam en gezicht meer hebben, die zijn uitgewist door de tijd en die nu ook wel niet meer gemist zullen worden?

De liefdevolle manier waarop de graven zijn onderhouden, de aangekondigde eredienst, ze verraden ontzag voor de mannen, vrouwen en kinderen die niemand meer zijn. Op het Zentralfriedhof zijn de grafstenen en monumenten een postume bevestiging van wie de doden in hun leven waren en van wat ze bereikt hebben, maar hier, in deze verstilde uithoek, heeft de strijd om nationale en persoonlijke identiteit alle betekenis verloren. Dit is de Heimat van de vergetelheid.

Een half uur later zit ik in de bus die me terug naar de stad brengt. Op de vloer ligt een gescheurde Neue Kronen Zeitung. Mijn oog valt op twee foto's van naakte mannen, naast elkaar. De rechter foto is genomen in Sierra Leone. Je ziet een zwarte soldaat, met alleen een zwembroek aan, hysterisch zijn geweer aanleggen. De linker foto toont een breed lachende, goedgebouwde man, die op een catwalk loopt, een uitzinnige glitterversiering om zijn geslacht. Hij is genomen tijdens het Life Ball in het Rathaus.

De foto's zijn bewust naast elkaar gezet. Het begeleidende commentaar onderstreept het contrast op typisch Oostenrijkse wijze. De naakte zwarte man symboliseert de tragedie die Afrika heet. De blote blanke, lees ik, verbeeldt treffend en onmiskenbaar de verloedering van het hedendaagse Oostenrijk.

Bas Heijne is schrijver en redacteur van NRC Handelsblad. Zijn columns over het laatste jaar van de eeuw, vorig jaar gepubliceerd in het Cultureel Supplement, verschenen dit voorjaar als 'De wijde wereld' bij uitgeverij Prometheus.

Franz Killmeyer is freelance fotograaf in Wenen en publiceert onder meer in Der Stern en Geo.

[streamliners]

...loop een tijdje rond in Wenen en je wordt als vanzelf besmet met dat virus van de opzichtige duiding...

...links klampt zich vast aan het romantische 'andere', rechts koestert verbeten het 'eigene'...

...de Oostenrijkers willen geen agressieve bondskanselier. Misschien eindigt Haider als quizzmaster...

    • Bas Heijne -