Geen burger maar onderdaan

Japan leeft in een permanente oorlogseconomie, waar de overheid offers vraagt van de burgers. De gezagsgetrouwe burger durft niet in opstand te komen tegen de heersende elite van ambtenaren en politici. `Samen overleven of samen ten onder, een andere keus hebben we niet.'

Sinistere mannetjes met de tekst `revolutie' op hun helm en bommen met rokende lonten in de hand grijnsden mij toe bij aankomst op het vliegveld van Okinawa voor de jaarlijkse top van de G8 (de rijkste industrielanden plus Rusland) eind juli. De revolutionairen stonden op posters van de Japanse politie onder het motto `Pas op voor uw buren'. Een tekening toonde een appartementengebouw met in de ene woning een familie aan de maaltijd en in die ernaast de complotterende revolutionairen. Wie die revolutionairen dan zouden zijn en wat ze zouden willen bleef in het midden. De boodschap was slechts: wees bang en geef alle verdachte bewegingen aan ons door.

Ook via spotjes op radio en televisie riep de politie tijdens de top de bevolking op om mee te werken aan de bestrijding van onbestemde `terreur en guerrilla'. Wellicht verwachtte men een staatsgreep van Greenpeace, want leden van non-gouvernementele organisaties (NGO's) werden permanent door agenten in burger geschaduwd. Alle vissers moesten `vrijwillig' vier dagen binnengaats blijven, burgers werd opgeroepen gebruik van de privé-auto te vermijden, dertig procent van de bedrijven legde tijdens de top het werk stil omdat werken toch nauwelijks mogelijk was. Alle gederfde inkomsten waren voor eigen rekening, want medewerking was op basis van `vrijwilligheid'. Twintigduizend politieagenten had de Japanse overheid voor de klus naar Okinawa overgebracht, het tienvoudige van de normale politiesterkte op het eiland.

Deze houding van de Japanse overheid is meer dan een overblijfsel van het vijanddenken uit de Koude Oorlog. De politie kent een aparte eenheid die zich uitsluitend richt op politiek werk. Deze eenheid houdt permanent een oog op vakbonden, de communistische partij – al is deze gewoon vertegenwoordigd in het parlement – en bewegingen aan beide uitersten van het politieke spectrum. Enkele maanden terug lekte een lijst van de veiligheidsdienst uit vanNGO's als Amnesty International en de PEN Club, de internationale organisatie van schrijvers, die de dienst sinds enkele jaren in de gaten houdt.

De overheid in Japan is nu eenmaal van oudsher almachtig en wil precies op de hoogte zijn van de activiteiten van het volk. Dus moet je in Japan niet vreemd opkijken als de wijkagent zomaar langskomt voor een praatje en vraagt of je al je persoonlijke gegevens op een formulier wil invullen. De politie houdt namelijk een volledig schaduwregister bij van de bevolking.

Dit alles stamt van oudsher uit de houding van de overheid die heet: yorashimubeshi shirashimubekarazu. Ofwel, maak de bevolking afhankelijk en vertel ze niets. De vorm van Japan is tegenwoordig democratisch, maar de kern is nog immer feodaal. Er is niet langer één heersende kaste, zoals vroeger de samurai – de macht nu is wat meer verdeeld, maar nog altijd voorbehouden aan een elite bestaand uit ambtenaren en politici. Het gepeupel dient slaafs te zijn. Ook al kent het moderne Japans sinds de opening van het land vorige eeuw een vertaling van het Europese woord `burger', het concept burger als iemand met gegarandeerde rechten ten overstaan van de overheid is onbekend. Conservatieven wijzen het gebruik van het Japanse woord voor burger dan ook af. Moderne activisten wijken uit naar de `rechten van de mens' waar wij zouden spreken over burgerrechten.

Tot halverwege de negentiende eeuw was Japan een klassenmaatschappij verdeeld in samurai (de erfelijke strijders- en bestuursklasse), boeren, handwerkslieden, kooplieden en `onaanraakbaren'. Nog nooit heeft een onderliggende groep rechten verworven op machthebbers. Uit pure noodzaak zich te verdedigen tegen het opdringende Westen hebben de samurai zélf hun klasse afgeschaft en daarvoor in de plaats een modern leger en een moderne ambtenarij ingesteld. Dit mag gul lijken, maar is juist de kern van het probleem: de bevolking kan zich tegenover de overheid niet beroepen op zelf verworven rechten.

Ambtenaren worden geselecteerd via zware examens en gedragen zich net zo almachtig als hun voorgangers. Hun rol in de samenleving duiden ze aan met de term `coördinatie van winst en verlies', dat wil zeggen dat zij ingrijpen waar zij nodig achten om alle belanghebbenden tevreden te houden. Kartelvorming, soms onder leiding van ambtenaren, is daardoor endemisch.

Amtenaren kijken neer op politici die geen enkel verstand hebben van technische zaken. Politici zijn slechts gepreoccupeerd met de eigen positie binnen de partij. Geld speelt daarbij de hoofdrol, overheidsgeld dat naar het bedrijfsleven stroomt en vervolgens naar de zakken van politici. Zolang ambtenaren op dat vlak de politici ter wille zijn – en dat zijn ze, aangezien politici greep hebben op benoemingen van hoge ambtenaren – mogen ze verder doen waar ze zin in hebben.

Dieptepunt onder politici die verder geen enkele kennis van beleid hebben, is de huidige premier Yoshiro Mori. Tijdens zijn persconferentie na afloop van de G8 op Okinawa had hij niets zelf te melden, hij las alleen van papier wat door ambtenaren voorbereide teksten voor. Een ambtenaar van het bureau van de premier zegt: ,,Zolang het gaat om de dagelijkse routine weten we wel wat we moeten doen. Maar er is geen enkele visie op de lange termijn, geen enkele politieke leiding.''

De kiezer durft vooralsnog niet in opstand te komen en laat zich met name op het platteland gedwee door lokale bazen naar de stembus dirigeren. Tegen de zwevende kiezers in de steden – waar de oppositie het van moet hebben – zei premier Mori een dag voor de recente parlementsverkiezingen: blijf gerust in bed liggen. Het fundamentele principe van democratie functioneert niet: ondanks falend beleid is de LDP nog nooit naar huis gestuurd.

Dat het beleid faalt, blijkt uit het economische gekwakkel van Japan. Tien jaar na het ineenstorten van de `luchtbel' (de hausse in grond- en aandelenprijzen eind jaren tachtig) is de schade nog steeds niet opgeruimd. De heersende kliek in politiek, bedrijfsleven en ambtenarij houdt elkaar de hand boven het hoofd. De jaren negentig zijn in Japan inmiddels geduid als het `verloren decennium' doordat de economie in feite stilstaat. Een commentator als Richard Katz van The Oriental Economist trekt op punten een parallel tussen de LDP en het bewind van de vroegere Sovjet-Unie. Het lot van de laatste is bekend.

De enige grote veranderingen in modern Japan kwamen tot stand onder buitenlandse druk: de opening van het land halverwege de negentiende eeuw en de Amerikaanse bezetting na de nederlaag in 1945. Zonder dergelijke druk is Japan nog nimmer in staat geweest zich te transformeren. Mensen in het centrum der macht vertellen de buitenlandse bezoeker graag dat Japanners nu eenmaal van consensus houden. Mijn ervaring uit gesprekken met mensen die zich niét in het centrum van de macht bevinden, is echter dat angst vaak de drijfveer is om niet te protesteren tegen hoger geplaatsten. Met zachte en soms harde hand wordt de gemiddelde Japanner in het gareel gehouden.

De Japanner moet zich veel laten aanleunen, zoals kleine behuizing, vrijwel geen vakantie, onbetaald overwerk en hoge prijzen. Welk ander land kent de term `dood door overwerk'? Uit volgzaamheid werken sommigen zich letterlijk dood. In zekere zin leeft Japan in een permanente oorlogseconomie waar offers worden gevraagd. Dit vraagt echter om een verklaring voor de offers. Voor de oorlog was dit de strijd tegen de Westerse imperialisten, na de oorlog de wederopbouw. In de jaren tachtig leek Japan de weg van meer vrijheid op te gaan, maar de neergang die rond 1990 inzette vroeg opnieuw om offers.

Na tien jaar gekwakkel begint de kiezer te morren en dus keert de al lang heersende regeringspartij LDP terug naar een thema uit de oude doos om de kiezer volgzaam te houden. Toen de communisten bij de laatste verkiezingen leken te gaan profiteren van de onvrede, bezwoer de LDP de kiezer dat zetelwinst een coalitie met communisten zou kunnen opleveren. Zou de `nationale identiteit', dat wil zeggen het keizershuis, in hun handen wel veilig zijn? Tien jaar na het faillissement van het communisme is de reflex van de LDP nog steeds het teruggrijpen op terminologie uit de tijd dat de Sovjet-Unie een dreiging vormde. Inderdaad kregen de communisten geen poot aan de grond in de verkiezingen.

De LDP gebruikt alle middelen om in het zadel te blijven. Sommige ontwikkelingen daarbij zijn zorgwekkend, zoals de houding van politie en veiligheidsdienst (die informatie levert aan LDP-politici over ontwikkelingen in hun kiesdistrict) ten opzichte van NGO's. Hetzelfde geldt voor de journalistiek. Deze week constateerde de krant Mainichi dat nieuwe voorstellen rond bescherming van privacy desastreus kunnen uitpakken voor onderzoeksjournalistiek. Met een beroep op het recht op bescherming van hun privé-leven zouden politici uitgebreide mogelijkheden krijgen om journalisten te dwarsbomen die zich in hun financiële handel en wandel willen verdiepen.

Een klein, traditioneel eethuisje ergens in centraal Japan. Aan het belendende tafeltje op de rieten vloer zitten drie jonge universitaire docenten en we raken in gesprek over de verhouding tussen de gezagsgetrouwe Japanse burger en de politiek. ,,Economie is oorlog'', zegt een van hen, een strijd tussen landen. Dat in Nederland oude industrieën ten onder gaan en buitenlandse bedrijven vrijelijk binnen kunnen komen, beschouwt hij als teken van ,,verzwakking van het ras''.

Ik breng daar tegenin dat in Europa raciale en nationale grenzen moeilijk gelijk te schakelen zijn en mensen vanouds grenzen overschrijden om ergens anders een nieuw bestaan op te bouwen. ,,In Europa is dat mogelijk, maar wij Japanners zitten op een eiland en beschouwen ras en bevolking als uitwisselbare begrippen. We moeten het met elkaar zien te redden'', constateert een van hen.

,,Wij zullen niet naar Korea gaan als hier geen werk is, we zullen ons geld niet naar een bank in het buitenland brengen als we het hier niet vertrouwen.'' De eerste spreker zegt: ,,Samen overleven of samen ten onder, een andere keus hebben we niet.''

Net een dag eerder is weer eens een minister afgetreden wegens corruptie. Dat de LDP door en door verrot is, weten ze, en toch geven twee van de drie de voorkeur aan die partij. Wegens `prestaties uit het verleden', zegt er een. Dat de LDP het land draaiende houdt door torenhoge schulden aan te gaan (de staatsschuld bedraagt inmiddels 130 procent van het bruto binnenlands product, een record in de geïndustrialiseerde wereld) en dat dit niet eeuwig door kan gaan, dat de LDP wellicht ooit al hun spaargeld via hoge belastingen confisqueert, weten ze ook. Maar pratend over de corrupte politici komt één van hen plotseling met een emotionele oproep: ,,Vergeet niet dat in de tussentijd de gewone Japanner trots en met opgeheven hoofd zijn werk doet.'' Het nationale levensgevoel dat overblijft voor deze `trotse, gewone Japanner' is defaitisme en diepe melancholie.

Een andere dag, een ander eethuisje. Een naaimachinehandelaar uit de straat die de bazin met `mama' aanspreekt, zoals gebruikelijk in de door vrouwen gedomineerde horeca. Verder de groenteboer van om de hoek met zijn vrouw en het hoofd van een klein, particulier opleidingsinstituut. De laatste haalt halverwege de avond zijn gitaar uit de auto en blijkt een begenadigd amateur liedjesschrijver te zijn. Het refrein van zijn meeslepende succesnummer die avond voor vijf man publiek: `Liefde. Sake. De dromen van een man. Als we onze verhalen delen, vliegt de nacht zo voorbij.'

Dat is het Japanse levensgevoel: de keurige zakenman die zich na werktijd overgeeft aan alcohol en zang van het Japanse levenslied in de karaokebar. De koningin van dit levenslied, de enka, was de in 1989 overleden Hibari Misora. Zoals een kenner over haar schrijft: `Haar diepe eenzaamheid en vleugje zelfvernietigingsdrang, en haar talent deze kwaliteiten naakt en onvergetelijk in een lied uit te drukken, maakten van haar hét symbool van de Japanse populaire muziek.' De verliezer is een grotere held in de Japanse volkscultuur dan de winnaar.

Op Okinawa weigert de populaire zanger Shokichi Kina verliezer te zijn. Hij zal dan ook nimmer een Japanse held worden. Op een avond tijdens de G8-top bracht hij voor zo'n duizend man op het strand van Henoko een ballade ten gehore over tranen die een bloem laten bloeien; honderd meter voor hem hielden Amerikaanse militairen de wacht achter prikkeldraad en bescheen een batterij felle zoeklichten het strand. Een van de vele Amerikaanse bases op het Japanse eiland maakte hier het idyllische strand tot verboden gebied.

Kina zong voor demonstranten tegen de bouw van een luchthaven voor het Amerikaanse leger, dat al twintig procent van het eiland in bezit heeft. De lokale bevolking vermengde zich met jongeren met rastakapsels, ontbloot bovenlijf en lange jurken die het `normale' leven op de Japanse hoofdeilanden hebben verruild voor een hippiebestaan op het subtropische Okinawa.

Kina zegt over de regerende LDP, verantwoordelijk voor de vele Amerikaanse bases op zijn eiland: ,,Het is een mafiose organisatie waarvoor de mensen hier bang zijn. Als we in Japan een revolutie teweeg zouden kunnen brengen zou ik het willen doen.'' Hij is voor onafhankelijkheid van Okinawa, dat in een ver verleden een onafhankelijk koninkrijk was en pas in de negentiende eeuw bij Japan werd ingelijfd. Een dronken zakenman meent dat Kina's verzet tegen de regering in Tokio en tegen de Amerikaanse bases futiel is, gezien het grotere internationale machtsspel. Maar Kina, moet hij erkennen, maakt tenminste van zijn hart geen moordkuil.

    • Hans van der Lugt