Derde sluis in Afsluitdijk moet rivieren ontlasten

In 1995 werd de Betuwe ontruimd toen de rivierdijken dreigden te bezwijken onder de hoge waterstand . Een extra spuisluis in de Afsluitdijk zou soelaas kunnen bieden.

Door de stijging van de zeespiegel en door de verhoogde winterafvoer van de IJssel in het IJsselmeer dreigt de huidige capaciteit van de spuisluizen tekort te schieten.

Rijkswaterstaat overweegt dan ook de aanleg van een derde spuisluis in de Afsluitdijk. Tevens wil Waterstaat onderzoeken of een natuurlijker overgang van zoet naar zout water tot de mogelijkheden behoort.

De nieuwe spuisluis zou aangelegd kunnen worden met een zogenoemd estuarien overgangsgebied, waar de menging van zoet en zout water langer duurt dan nu het geval is bij de twee bestaande spuisluizen in de Afsluitdijk. Daardoor ontstaat dan een overgangszone van brak water. Zo'n overgang is uit ecologisch oogpunt zeer wenselijk, maar ontbreekt in de huidige situatie.

De studie, beschreven in het rapport `Extra spuicapaciteit & versterking ecologische samenhang langs de Afsluitdijk', wordt uitgevoerd door het Rijksinstituut voor Kust en Zee (RIKZ) en de Rijksdienst IJsselmeerpolders (RDIJ). De uitkomsten worden in 2002 verwacht.

De stijging van de zeespiegel hangt samen met het dalen van de Nederlandse kust, maar is ook een mondiaal gegeven en wordt waarschijnlijk versterkt door het broeikaseffect. Nog nooit waren in de afgelopen jaren de waterstanden langs de Noordzee zo hoog, werd onlangs bekend.

Daarnaast blijkt dat de afvoer van de Rijn, en daarmee die van de IJssel, de afgelopen winters aan het toenemen is. Het wordt met de huidige mogelijkheden om te spuien steeds moeilijker om 's winters voldoende water uit het IJsselmeer naar buiten te krijgen.

Bij de aanleg van de Afsluitdijk, die in 1932 werd voltooid, werd voor de afvoer van het water van de IJssel, de Overijsselse en Utrechtse Vecht en de Eem voorzien in twee spuisluizen, die bij Kornwerderzand en bij Den Oever. Ook wordt water uitgelaten via het Noordzeekanaal. Deze spuisluizen werken passief – tweemaal per dag worden bij laagwater de sluizen geopend en stroomt het hogere IJsselmeerwater naar zee; bij hoogwater worden de sluizen gesloten, zodat zout zeewater niet in het IJsselmeer kan dringen. Het beheer van de sluizen is erop gericht dat het IJsselmeerwater zoet blijft, zodat de drinkwatervoorziening en bevloeiing voor de landbouw niet in gevaar komen.

In de nieuwe studie blijft dit uitgangspunt onveranderd. Wel wordt nu onderzocht of er mogelijkheden bestaan aan de nieuwe spuisluis een nieuw in te richten estuarien gebied te koppelen, een overgangszone met brak water waarin typische brakwaterorganismen een kans krijgen.

Vergeleken bij de situatie van voor de afsluiting van de Zuiderzee is de huidige overgang in ecologisch opzicht zeer armetierig – het IJsselmeerwater stroomt rechtstreeks de Waddenzee in en is binnen enkele kilometers volledig gemengd. Een dergelijke plotselinge overgang wordt alleen gevonden bij een waterval die in zee stort.

Vóór 1932 bestond de Zuiderzee uit een brakwatergebied van 3.200 vierkante kilometer met vele droogvallende platen, vele soorten brakwatervissen en een eigen haringsoort, waarop bruinvissen en tuimelaars joegen. Vijf jaar na de afsluiting was het IJsselmeer volledig zoet, waardoor al deze soorten verdwenen. Hoewel ook het zoete IJsselmeer zijn waarde heeft, vooral voor overwinterende eenden, was er toch sprake van een grote ecologische terugval.

Het overwogen nieuwe spuigebied kan dan ook niet meer zijn dan een zeer gedeeltelijk herstel van de oude situatie, maar alle herstel is welkom. Estuariene brakwatergebieden worden in de gehele wereld bedreigd door de aanleg van waterkeringen en die bedreigen daarmee ook de soorten die in die brakwatergebieden leven. Nederland heeft zich in internationale verdragen verplicht deze soorten extra te beschermen. Rijkswaterstaat is in het Haringvlietgebied al begonnen met een natuurlijker beheer van de zoet-zoutovergang.

Hoe en waar het natuurlijke overgangsgebied en een derde spuisluis in de Afsluitdijk ingericht kunnen worden is nog onderwerp van studie. Er wordt rekening gehouden met de natuurlijke situatie aan weerszijden van de Afsluitdijk en met variaties in de waterafvoer.

Op de achtergrond van een grotere spuicapaciteit voor het IJsselmeer speelt mogelijk mee dat Rijkswaterstaat plannen heeft liggen voor een overloop van Rijnwater langs het IJsseldal. Deze overloop, beginnend nabij Pannerden, moet in noodsituaties een groot deel van het water wegnemen uit het rivierengebied. Bij dit extreme aanbod behoort ook een extra spuicapaciteit. Extreem hoge waterstanden van de Rijn deden zich voor in 1993 en 1995, waarbij in het laatste jaar de Betuwe ontruimd moest worden. Ondanks de rivierdijkverhogingen kan de situatie in de Betuwe toch opnieuw kritiek worden.