De wilde tuin

In The Wild Garden (verschenen in 1870, herzien in 1894) beschreef William Robinson hoe in de mooie zomer van 1893 `de bloembedden in de openbare tuinen van Parijs in juni er kaal en zonder bloemen bij lagen, voordat de erbarmelijke in de winter gekweekte bloemen in hun figuren waren uitgeplant'. Dit verwijst naar het gebruik om exotische eenjarigen in kassen te kweken en ze dan 's zomers in rechte rijen te planten, met naakte aarde ertussen. Daar bloeiden ze dan tot de eerste nachtvorst, waarna de bedden weer leeg stonden tot de volgende maand juni. De tuiniers die daarop moesten toezien moeten het deprimerend werk hebben gevonden: Robinson zegt dat het was als `carrying the dead lines of the building into the garden'.

Toen we ons huis in het westen van Ierland betrokken, zag het er uit alsof zich zulke dead lines uitstrekten over de hele tuin: deze was bedekt door een egaal groen tapijt van planten. Er stonden een paar grote rododendrons en een paar bomen waar kraaien in zaten die elke dag op vaste tijden met veel lawaai hun kraaienpraktijken beoefenden, maar dat was alles. De tuin was van de tuincorrespondent van The Irish Times geweest; de dag dat wij het huis betrokken, toonde hij ons een paar zeldzame planten onder de groene deken die hij `real treasures' noemde. Hij vertelde ook dat hij `al een poosje niet in de kas was geweest'.

We kochten overalls en togen aan het werk: de groene deken bestond uit bramen, een krankzinnige breiwol, onontwarbaar verstrengeld in dertig jaar van tuin-artikelen schrijven. Aanvankelijk waren we beducht niet op de real treasures te trappen, maar dat vergaten we allengs. Het was opwindend, als je een bramenstengel te pakken had en er aan trok, om dan ver weg aan het andere eind van de tuin iets in beweging te zien komen; achter ons ontstonden bergen bramenstengels zo groot als garages. Er waren ook brandnetels, en een veld met munt zo groot als een tennisbaan, heel nuttig toen we hoorden dat aan je oren gehangen munt de horzels verjaagde. We werkten stug door, gehandschoend en met oorhangers van munt, vol schrammen en bulten in het gezicht, en zo begon het patroon van een tuin zichtbaar te worden, met paden, een pergola, ja zelfs de halfmythische kas verscheen alsof we ze uit de lucht hadden getoverd. Op een dag stapte een van ons, bezig nog meer bramenstengels weg te trekken, in het niets en verdween bijna geheel in een overgroeide vijver – één uit een cascade van drie, waarlangs het water naar beneden behoorde te stromen dat uit het meer werd gepompt: het lag stil sinds 1925.

Het was iets als opruimen bij Doornroosje; nooit daarna is tuinieren meer zoveel plezier geweest. Een paar extra winterharde planten hadden weten te overleven onder hun beschermende deken. Een cordyline, tot zijn nek onder de bramen, had niet zichtbaar geleden, en in de ruïnes van de kas groeide nog een druif, een zogenaamde aardbeidruif, ook een real treasure, waar mijn moeder voor zorgde of het een lid van het gezin was, tot er kleine rossige druifjes aan kwamen die werkelijk naar aardbeien smaakten.

Er waren een heleboel montbretias of Crocosmia x crocosmiiflora, die over heel Ierland in het wild groeien; ze hebben lelieachtige bladeren en trossen van kleine oranje bloemetjes, een onderdeel van het landschap op dezelfde manier als de fuchsia, zelfs niet-tuiniers merken ze op. Er zijn plantennamen die ik me met moeite kan herinneren, maar die ik na een poosje meestal wel weet te achterhalen; daarentegen niet membretia en crocosmioa, die zitten in een vakje van mijn brein waar ik geen toegang heb. Zelfs nu kon ik ze alleen maar achterhalen door de index van On Gardening van Helen Dillon door te kammen. Dat zijn ook Ierse tuincolumns (uit The Sunday Tribune), en een daarvan gaat over een van mijn tantes, die een tuin heeft in Dublin; we herkenden de beschrijving van de tafel: `Het dessert stond op een tafel in de kamer naast die waar we aten. Ik was verbaasd toen zij alles oppakte – tafel, toetjes, borden, bestekken en al – en naar binnen droeg.'

Wanneer ik aan de wilde tuinen van William Robinson denk komt mij altijd onze overgroeide tuin voor de geest. Dat is natuurlijk erg onrechtvaardig, want dat is absoluut niet wat hij bedoelde. Zijn idee van wildheid was `planten uit andere landen, zo winterhard als de sterkste van onze eigen wilde bloemen, op plaatsen waar die zonder verdere zorg of kosten kunnen gedijen'. Tegenwoordig is dat zo voor de hand liggend dat we bijna niet begrijpen wat er nu zo speciaal aan was, maar de simpele gedachte om trompetnarcissen in massa's langs de weg te planten was toen revolutionair, toen voorjaarsbloemen nog in de rij stonden als perkplanten. Welke planten op die manier konden gedijen, kon je in onze tuin goed zien, het was als een onbewust experiment om de limieten van winterhardheid te testen. Maar helaas, ik had toen totaal geen belangstelling voor tuinieren – een gemiste kans, net als het bijwonen van een vroege Beatles Christmas Show en er jaren later achter komen dat de Yardbirds, die het voorprogramma deden, ook niet slecht waren.

Nu is de gelegenheid om al die gemiste kansen in te halen; de invloed van Robinson is zichtbaar in mijn tuin. Daar hangt hij, in de vorm van een clematis in de peer en een klimroos in de appelboom, allebei verbazend winterharde planten, op de juiste plaats. Maar zij illustreren ook het element van de wilde tuin dat hij niet noemt, te weten tijd. Een clematis mag veel minder zorg nodig hebben dan een begonia, maar hij wordt ook nogal wat groter. De mijne was bezig de peer te verstikken en ik moest hem wel weghalen. Als er voldoende tijd is, ontsnapt elke winterharde plant aan zijn eigenaar; en dus kan William Robinson ook verantwoordelijk worden gehouden voor die andere soort wilde tuin.

Dit is de derde van zes afleveringen van `Herinnerde tuinen'. De eerste twee verschenen op 22 en 29 juli.

    • Sarah Hart