De vondelingtrein

In de boemeltrein van Mineralnye Vody naar Goedermes heerst de waanzin van de oorlog. Soldaten met geweren op weg naar Tsjetsjenië, dronken soldaten terug naar Rusland. De geschiedenis herhaalt zich: de parabel van de Russische trein.

De trein is in Rusland niet zomaar een middel van vervoer. 'De trein staat symbool voor de revolutionaire koers, van station Kapitalisme tot station Communisme', zei Vladimir Lenin toen hij met de trein uit Duitsland naar Rusland vertrok om daar de opstand van de bolsjewieken voor te bereiden. Maar de trein is ook het symbool van het stalinisme. 'De laatste wagon naar het noorden', werd de trein genoemd met slachtoffers van de repressie, die naar Siberië reed en verder naar het noorden.

De trein is ook het symbool van de megalo mane opbouw van het socialisme ten tijde van Leonid Brezjnev, toen de beroemde Baikal-Amoer Magistraal, de bam-spoorlijn, werd aangelegd.

Om kort te gaan, de trein is in Rusland het leven en de geschiedenis zelf.

Jozef Stalin reisde tijdens de Tweede Wereld oorlog uitsluitend in een speciaal voor hem uitgeruste trein. Hij hield niet van vliegtuigen en had pathologische hoogtevrees. Hoewel hij zelf uit de Kaukasus kwam, speelde hij het in 1943 klaar om het Tsjetsjeense volk in enkele dagen tijds en zonder een schot te lossen te deporteren en over heel Rusland 'uit te zaaien'.

De nieuwe president van Rusland, Vladimir Poetin, heeft een voorkeur voor het jachtvliegtuig. Daarmee vliegt hij boven het oorlogsgebied in Tsjetsjenië. Van hoogtevrees heeft hij kennelijk geen last. Maar hij schrikt er evenmin voor terug vernietigingswapens in te zetten. 'We zullen de terroristen afmaken, als het nodig is zelfs op de plee', heeft hij gezegd. Als gevolg daarvan is op geen enkel station tussen Galjoegajevskaja aan de grens met Tsjetsjenië en de Tsjetsjeense hoofdstad Grozny nog één wc heel. 'We hebben de wens van de president ten uitvoer gebracht', lachen de soldaten. 'Zelf doen we het nu ook in het open veld.'

Tussen de stations in Mineralnye Vody (het Valkenburg van Rusland) en Mozdok (waar het Kaukasische garnizoen van het Russische leger gestationeerd is) lopen de verkopers van kranten en pasteitjes nog langs de wagons om hun koopwaar aan te bieden. 'Koop vers nieuws!' schreeuwt de een. 'Hete pasteitjes met vlees, voor maar één roebel', roepen anderen. Een muzikant met een trekharmonica begint een Russisch lied te spelen: 'Uitgestrekt is mijn moederland.' Aan de andere kant van de wagon probeert een ander hem met een grote accordeon te overstemmen: 'Onze trein snelt vooruit, maar in Kommoen is het uit. Andere routes zijn er niet meer, in de hand een geweer.' Na elk lied gaan de muzikanten met de pet langs.

Maar hoe dichter we bij Grozny komen, des te minder verkopers of muzikanten zijn er te bekennen. Hier begint het oorlogsgebied. Hier wordt geen geld aan muziek besteed. Hier wordt gratis eten uitgedeeld, als humanitaire hulp.

Galjoegajevskaja. Machinist Sasja schakelt het sein van de locomotief in. 'We gaan!'

'Twintig jaar zit ik al op de locomotief. Het wordt met het jaar slechter en slechter. Binnen kort ga ik met pensioen. Ik heb het idee dat Rusland zich ook op zijn pensioen voorbereidt. Tja, en dan komt de dood naderbij. Vroeger reden er op deze route twintig tot dertig treinen per dag. En nu? Ze hebben alle rails weggehaald en ergens verpatst. Maar wie die heeft weggehaald en aan wie ze verkocht zijn, daar kunnen ze maar niet achterkomen. Het is een puinhoop.

'Vanaf het station in Galjoegajevskaja tot aan Grozny is geen hoogspanningskabel meer te vinden. Alles is losgesneden en als edelmetaal verkocht. Zeventig centimeter elektriciteitsdraad levert een kilo koper op. Een kilo koper wordt voor veertien roebel (fl. 1,25 ) gekocht. In totaal was er driehonderd kilometer kabel. Reken maar uit: dat is 150.000 dollar. En in Turkije, waar het koper wordt verkocht, is het nog veel duurder. Wat moet ik ervan zeggen? Dit is een land van dieven en boeven!

'Er was een tijd dat we weigerden naar Tsjetsjenië te gaan. Op de route Moskou-Astrachan was een conductrice vermoord, alleen maar omdat ze het, als wagondame, bij de pascontrole door de militairen op het station Tsjervljennaja opnam voor haar passagiers. Alle treinen werden beroofd. Alles van waarde werd meegenomen: van mooie vrouwen tot en met geld en gouden sieraden. Kijk maar wat het goud kost op de markt in Goedermes (een stad ten noorden van Grozny en bruggenhoofd van het Russische leger). Een paar centen, want alles is geroofd en er zijn geen kopers meer. Voedsel kost meer. Dat is onze markt: oorlog, goud en brood!

'En hoe is de situatie nu? De treinen worden niet meer beroofd. Nu leggen ze mijnen onder de rails. Echt, de Tsjetsjenen monteren ze onder de rails. Ik ben al een keer of drie over een mijn heengereden. Nooit ontploft. Deze trein is te licht. Meestal installeren ze de mijnen niet te ver van een kruising. Mijnen zijn zwaar en met de hand moeilijk te verslepen. Dus komen ze met de auto en leggen de mijnen bij een kruising, een paar meter van de rails. Op elke kruising zeg ik een gebed op, wie weet is God mij genadig.'

'Volgende station Mozdok', schreeuwt de machinist. 'Wie verder rijdt, documenten klaarleggen!'

Op het perron staan een heleboel soldaten met geweren. Sommigen zijn dronken. Zij die geweren dragen, zijn op weg naar Tsjetsjenië. De dronkelappen gaan terug naar Rusland. Soms zijn beide groepjes dronken.

Tsjetsjeense vrouwen lopen rond met boodschappentassen. Een militaire patrouille van de omon-eenheden (speciale elitetroepen van de binnenlandse strijdkrachten) controleert de paspoorten van de passagiers.

Ze noemen deze trein van Mozdok naar Goedermes dubbelzinnig de 'vondeling', als een kind dat bij een vreemd gezin is achtergelaten. De trein bestaat uit zes wagons. Eén wagon is speciaal bestemd voor soldaten. Drie andere wagons zijn voor burgers. Het zijn voor 98 procent vrouwen. Tsjetsjeense mannen kunnen hier godsonmogelijk zijn. Ze zijn of oorlog aan het voeren of ze verbergen zich voor het buitensporige wangedrag van de Russische troepen. De twee laatste wagons zijn rijdende winkels die op elk station in Tsjetsjenië opengaan. Alle wagons zitten propvol.

Beland huilt. De Tsjetsjeense vrouw laat een lijst zien met 52 namen van mannen die op

13 januari spoorloos zijn verdwenen in de buurt van de dorpen Djoebajoert en Tsjeri-Joert. De Russische generaal Sjamanov voerde daar in die dagen een militaire operatie uit. Al bijna drie maanden is Beland op zoek naar haar echtgenoot. Met de 'vondelingtrein', want dat is het enige transportmiddel voor de burgerbevolking.

'Delmoechanov is zijn achternaam. Hij is geen terrorist, hij is een vluchteling. Hij heeft nog nooit een geweer in zijn handen gehad. Er waren verschrikkelijke gevechten aan de gang: vliegtuigen, kanonnen. Ze hebben ons een doorgang geboden vanuit Sjatoj tot Tsjeri-Joert. Alles verliep normaal. We werden niet meer beschoten. Maar mijn man besloot terug te keren, om zijn bejaarde ouders op te halen en ook een paar spullen. De corridor was nog open. Maar bij de eerste wachtpost werd ik uit de auto gehaald. De mannen werden gearresteerd. Tegen de vrouwen werd gezegd: 'Ga waar je wil'.

'Sindsdien reis ik alle gevangenissen af op zoek naar mijn man. Ik ben in Pjatigorsk, Tsjorno kozovo, Sjali en Oeroes-Martan geweest. Heb er dagen doorgebracht voor de gevangenissen om er achter te komen of mijn man daar zat. Niemand wilde mij officieel de lijsten van gevangenen laten zien of antwoord geven op mijn vragen. Dan zoek ik iemand die tegen betaling informatie wil geven. Voor geld vertellen ze mij of mijn man er zit of niet. Dat kost me veel. In elke gevangenis betaal ik duizend roebel (85 gulden). Maar de lijsten laten ze me niet zien, die corrupte kerels willen alleen maar 'ja' of 'nee' zeggen. En tot nu toe heb ik alleen maar 'nee' te horen gekregen. Van deze lijst van 52 mensen hebben we nog niemand gevonden, dood of levend.'

Station Naoerskaja. Op het rangeerterrein staan twee wagons voor veevervoer. Er zitten nu gearresteerde Tsjetsjenen in opgesloten. Alleen mannen. De man van Beland is er ook hier niet bij. Maar ze heeft nog hoop op de volgende halte.

Het hele station is omsingeld door politietroepen en speciale elite-eenheden met automatische wapens. Rondom de wagons liggen zakken zand. Overal zijn stellingen gebouwd voor afweergeschut. In de volksmond heten ze geen 'stations' meer, maar 'volgende wachtpost'.

De volgende wachtpost. Tsjervlennaja.

Joeri, majoor bij de binnenlandse strijdkrachten: 'Het kan mij geen moer schelen wat er allemaal verboden is. Ik kan dat zeggen. Hier is de hele nacht strijd geleverd. Ze hebben ons met granaatwerpers van alle kanten beschoten. We hebben de situatie 's nachts niet onder controle. Luister maar naar de veldradio. Alleen maar verzoeken om hulp. Of ze roepen 'vracht 200', dat zijn de doden, of 'vracht 300', dat zijn gewonden. In het gunstigste geval roepen ze '250', dat staat voor 'doodgezopen', dat is een legergrap. Niemand praat hier ooit over! Maar het is zo simpel: zend onze legerfrequentie maar eens een nachtje over heel Rusland uit. Eén hele nacht maar. En heel Rusland zou begrijpen wat oorlog is. Niemand zou dan nog soldaten hierheen sturen, niemand zou ons dan hier doden. De waarheid, die u zoekt, vindt u hier niet. Alleen maar moordpartijen. Ik ben in Afghanistan geweest, ik ben beroeps. Ik ben een killer. Maar zelfs ik kan niet naar die radio luisteren. Ze schreeuwen: ''Broertjes, help ons. Is er iemand die ons hoort? We hebben hulp nodig! Geef ons 'zaadjes' (granaten). Ze vermoorden ons! Help ons!'' Iedereen kan het horen: de commandanten, de chefs, de Tsjetsjenen en de rekruten. We hebben allemaal dezelfde zenders. En iedereen wéét het: die hulp komt er niet. Ze zullen sterven. Dan hoor je de radiotelegrafist huilen en het is afgelopen: stilte. Dat is moord! Kortom, die parachutist uit Perm was laatst bij lange na niet de enige die stierf omdat niemand hem te hulp kwam.'

Alle muren van de toiletten en de balkons zijn door de passagiers volgeschreven. 'Sla dood de Russische bezetters!' en 'Chattab, ik neuk je plat'. Of 'Demobilisatie-2000', 'Dood aan de Tsjetsjeense apen' en 'Moskou-Grozny-transit-2000'.

De wagondame geeft Joelia te eten, een meisje van acht. Ze woont al twee maanden in de vondelingtrein. Maar niemand durft Julia een 'vondeling' te noemen. Zij probeert namelijk iedereen ervan te overtuigen dat ze wel ouders heeft en nu voor de zoveelste keer naar hen op weg is. 'Laat u mij eens op de kaart zien waar het dorp Alpatovo is. Daar zijn mijn ouders, ik ben naar ze op weg. Mijn moeder is heel mooi. Ze lijkt op een barbiepop. Mijn papa is ook mooi. Hij is soldaat. Wanneer hij iedereen heeft verslagen, komt hij terug bij mama.'

De wagondame kamt het haar van het meisje en huilt. Iedereen weet het: Joelia is wel degelijk een vondeling. Ze heeft geen ouders meer, althans niemand weet waar ze zijn. Ineens, op een dag, dook ze op in de trein. Iemand heeft haar erop gezet. Sindsdien is ze op reis naar huis. Ze heeft praktisch geen kleren. De conducteurs hebben van kanten servetten een rok gemaakt en een truitje. Die kleding is zo vulgair dat ze op een klein hoertje is gaan lijken. Iemand heeft haar een barbie cadeau gedaan. Joelia is ervan overtuigd dat deze mooie pop op haar moeder lijkt. 'Als ik groot ben, word ik ook wagondame. Ik zal mensen verwelkomen en uitzwaaien. Ik zal van ze houden als van mijn eigen kinderen', zegt ze.

Volgende wachtpost. Darbanchi.

Joeri, politiemajoor: 'De plaatselijke bevolking hier erkent de autoriteiten niet. Telkens zijn er weer nachtelijke beschietingen. Ik zeg het gewoon, want het kan me niets meer schelen. Gisteren hebben ze me gebeld en gezegd dat ik niet langer hoofd van de recherche ben, maar alleen nog maar operationeel medewerker. En vandaag heb ik met mijn vrouw gesproken. Zij gaat bij me weg. Ze is verliefd op een zakenman uit Moskou. Ze zegt dat hij een fijne ziel heeft en een teder gevoel. En ik? Ik ben niet meer dan een grove soldaat.

'We hebben twee kinderen. Ik weet niet wat ik verder moet. Ik ben weer eens in oorlog, zoals ooit in Afghanistan, zoals tijdens de eerste Tsjetsjeense oorlog (1994-96), zoals altijd. Wij zijn allemaal ziek hier. Maar als je ook nog eens je laatste dierbare verliest, en je eigen huis als laatste hoop kwijtraakt, dat is het einde. We kennen elkaar vanaf ons twaalfde. We hebben samen gestudeerd en vijftien jaar als een gezin samengewoond. Ik hou nog steeds van haar. Ik weet het niet meer: wat moet ik doen, hoe moet ik leven, waar moet ik naar toe? Dit is nog erger dan de dood. De dood biedt tenminste verlossing uit het lijden.'

De laatste wachtpost. Goedermes.

De passagierstrein gaat niet verder. Alleen de militaire echelons met verse tanks en kanonnen staan gereed om naar Grozny te vertrekken. In tegengestelde richting trekt het oude materieel, geblutst door granaten, met de gedemobiliseerde soldaten, smerig en bezopen. De soldaten leveren hun geweren in en nemen plaats in de speciale wagons. Alweer controleert een omon-eenheid de paspoorten. De trein is klaar om naar Rusland terug te keren.

Beland, de Tsjetsjeense vrouw, gaat toch proberen om Grozny te bereiken: te voet of liftend. Ze wil naar Chankala, een voorstad van Grozny. Daar staat ook een gevangenis. 'Misschien is mijn man in Chankala? Als u nou eens de lijsten kon publiceren van alle overledenen en overlevenden? Het doet er niet toe of ze Russisch of Tsjetsjeens zijn. Het gaat om het elementaire recht te weten of hij dood of levend is.'

Ook majoor Joeri heeft zijn kalasjnikov ingeleverd en is terug in de trein. 'Ik ga naar huis, naar mijn eigen stad. Die is belangrijker dan welke oorlog dan ook. In mijn privé-leven is het nu ook oorlog. Als ik niet binnen enkele dagen terug ben, zullen ze mij als deserteur beschouwen. Maar dat is niet belangrijk. Ik heb een makarov-pistool, zestien kogels en een wapenvergunning. Ik weet niet welke oorlog nu belangrijker voor me is, de oorlog voor het vaderland of voor mijn gezin. Ik merk het wel als ik thuiskom. Misschien schiet ik hém dood, misschien haar, of wie weet mezelf.'

Nieuwe passagiers zoeken een plek in de trein. Er zijn geen vrije plaatsen meer. Sommigen nemen de derde, bovenste plank, gewoonlijk bestemd voor de bagage. Zij gaan aan een tafel zitten en leggen hun hele hebben en houden van koffers en plunjezakken op hun knieën. Ze halen er eten en wodka uit.

Nu zijn ze klaar om een paar uur lang verhalen te vertellen over hun allerminst simpele leven. Maar het zijn niet die verhalen zelf die afgrijzen, een gevoel van absurditeit en angst oproepen, maar het feit dat ze zo op elkaar lijken. Deze verhalen zijn in de afgelopen honderd jaar al vele, vele malen verteld. De mensen zijn veranderd, hun helden, hun leiders, maar het leven in de trein gaat onverstoorbaar door. Alsof er nooit een revolutie is geweest, geen 'rechtvaardige' of 'onrechtvaardige' oorlogen, geen universele verklaring van de rechten van de mens en niet het juridische beginsel dat een burger onschuldig is tot het tegendeel is bewezen.

Niets goeds is er gebeurd. Wat voortleeft in het geheugen van deze mensen is alleen een gevoel van onrechtvaardigheid, kwaadheid en wraak. Er is alleen maar zielenpijn om de verloren levens en de zinloosheid van alles wat er gebeurt. Wat overblijft is angst. Angst voor de macht van het wapen en de macht van de wil. Angst om alleen achter te blijven of om als eerste te worden gedood.

De enige gelukkige passagier in deze trein van Mozdok naar Goedermes is het meisje Joelia, omdat haar herinnering zuiver is. Zij kwelt zichzelf niet met de vraag wie gelijk heeft en wie on gelijk. Zij is niet van plan haar ouders op de kerkhoven of in de gevangenissen van Tsjetsjenië te zoeken. Zij vraagt zich niet af waarom ze zijn gedood en door wie. Zij blijft er heilig van overtuigd dat er ergens een halte is waar haar huis staat en haar familie is.

Ze hebben haar voorgelogen en ze blijven haar voorliegen, net zoals ze iedereen ooit hebben voorgelogen die in deze trein is gestapt. Maar wanneer Joelia er eindelijk achterkomt dat haar vader is vermoord bij een bombardement en haar moeder spoorloos is verdwenen, dan wordt ze ineens volwassen. Dan zal ook zij haar verhaal aan de andere passagiers doorvertellen: verbitterd over het leven, over de regering, over haar vaderland.

Oleg Klimov is fotograaf in Rusland. Voor NRC Handelsblad werkte hij in Rusland, Tsjetsjenië en Kosovo.

Vertaling Alexandra Ourikh

[kop pagina:] Brief uit Tsjetsjenië

[Streamliners:]

... ik heb het idee dat Rusland zich op zijn pensioen voorbereidt. Tja, en dan komt de dood nabij...

...'broertjes, help ons. Is er iemand die ons hoort? We hebben hulp nodig. Ze vermoorden ons!'...

...misschien schiet ik hém dood, misschien haar, of wie weet mezelf...