Woede die geen daders wil zien

In Engeland is commotie ontstaan over een daar uitgegeven boek waarin de `holocaust-industrie' wordt beticht van bedrog en afpersing. Hoe betrouwbaar is een auteur die iedereen een bedrieger noemt, behalve zijn ouders?

Sinds de Sjoa* in de jaren zeventig het middelpunt is geworden van het joodse leven in de Verenigde Staten, wordt er gediscussieerd over de vraag of het wel verstandig is dit ultieme slachtofferschap zo'n centrale plaats te geven in de joodse identiteit. Het is een intrigerende vraag waarom juist in de Verenigde Staten, ver weg van de plaats waar de vernietiging plaatsvond, de herinnering aan de Sjoa zo belangrijk is geworden, niet alleen in de joodse gemeenschap, maar ook daarbuiten.

Een bron van ergernis maar ook bezorgdheid is de trivialisering ervan, die begon met de televisieserie `Holocaust' in 1978. Hoewel overlevenden en historici protesteerden tegen de onjuistheden en `hollywoodisering', was het effect in de Verenigde Staten en in Duitsland, waar de serie een jaar later werd uitgezonden, enorm. In Duitsland hielp `Holocaust' de lang uitgestelde Vergangenheitsbewältigung op gang brengen. In Amerika drong voor het eerst de omvang van de moord op de Europese joden door tot de niet-joodse bevolking.

Het is aannemelijk, dat de publiciteit rond de Sjoa andere minderheden in de VS geïnspireerd heeft aandacht te vragen voor hun eigen leed. Afro-Amerikaanse activisten begonnen de term `Black Holocaust' te gebruiken voor de slavernij. Daarbij komt het met enige regelmaat tot onaangename discussies over de vraag wiens Holocaust nu het `ergst' was, de joodse of die van de zwarte slaven in Amerika. Behalve met de sinds eind jaren zestig verziekte relatie tussen zwarte Amerikanen en joden, hangt dit verschijnsel samen met de Amerikaanse slachtoffercultuur, waarin status wordt ontleend aan de diepte van het dal waardoor men is gegaan.

In zijn kritische, gedegen studie The Holocaust in American Life (in Boeken van 5 mei uitvoerig besproken door Jolande Withuis) onderzoekt Peter Novick de rol die de herinnering aan de Sjoa speelt in de Verenigde Staten en geeft hij genuanceerde aanzetten tot antwoorden op een aantal van de hierboven gestelde vragen. Zijn kritiek richt zich op het misbruik dat activisten voor de meest uiteenlopende zaken inmiddels maken van de term `holocaust': de pro-life beweging heeft het over de `American Holocaust'; milieuactivisten spreken van een `Environmental Holocaust' en anti-Castro Cubanen menen dat er sprake is van een `Cuban Holocaust'.

Nog belangrijker zijn de vraagtekens die Novick plaatst bij het morele effect van de `Holocaust-educatie' door scholen en musea. Aan de hand van voorbeelden laat hij zien dat politiek opportunisme nog steeds bepaalt of Amerika bereid is troepen te zenden om te interveniëren op plaatsen waar mensenrechten worden geschonden of zelfs genocide wordt gepleegd. De herinnering aan de Sjoa is daarbij slechts een retorisch stijlmiddel om politieke keuzes van een ethisch laagje te voorzien: want waarom wel ingrijpen in Koeweit, maar niet in Rwanda; niet in Bosnië, maar wel in Kosovo?

Goldhagen

Norman Finkelstein, docent politicologie aan het Hunter College van de New York City University, trad enige jaren geleden uit de anonimiteit met een polemiek tegen Daniel Goldhagens Hitler's Willing Executioners. Finkelstein, zelf zoon van ouders die de kampen overleefden, beschuldigde Goldhagen ervan de gehele niet-joodse wereld als onverbeterlijk antisemitisch te zien.

Nu is hij het middelpunt van een controverse over een volgend polemisch geschrift, waarin hij de term `Holocaust Industry' introduceert. Niet om de industriële moord op zes miljoen joden te beschrijven, maar als aanduiding voor een naar zijn mening door Israel en de Amerikaanse joden opgezette propagandamachine. Deze maakt door onophoudelijk te hameren op het leed dat joden is aangedaan door niet-joden, niet alleen gerechtvaardigde kritiek op Israel en de Amerikaanse joden onmogelijk, maar heeft de laatste jaren ook succes geboekt in het `afpersen' van Zwitserse banken en Duitse bedrijven. Deze aantijging verklaart ook enigszins de extreme aandacht die The Holocaust Industry inmiddels heeft gekregen.

Finkelstein schreef het boekje op verzoek van Verso, een radicaal-linkse uitgeverij, nadat de directeur Finkelsteins bespreking had gelezen van Novicks The Holocaust in American Life in de London Review of Books. Finkelstein vond Novicks boek apolitiek en niet radicaal genoeg. Zijn eigen boek draagt dan ook de sporen van een opgeblazen recensie: het feitenmateriaal is voor een groot deel, zij het selectief, ontleend aan Novick en voorzien van Finkelsteins interpretatie. Finkelsteins bijdrage bestaat uit een felle aanval op de joodse organisaties die zich sedert het einde van de Tweede Wereldoorlog hebben beziggehouden met het verkrijgen van compensatiegelden voor de overlevenden van de Sjoa. De toon van het boek is provocerend, de formuleringen lijken met opzet grievend gekozen.

Tegenover The Observer verklaarde uitgever Colin Robertson van Verso een dergelijk werk alleen te kunnen uitgeven omdat Finkelstein joods is en zoon van kampslachtoffers; dat leek hem voldoende om beschuldigingen van antisemitisme te voorkomen. Dit is interessant, omdat deze argumentatie gebruik maakt van de door Finkelstein juist zo gesmade `heiligverklaring' van de slachtoffers. Gezien zijn opvattingen lijkt zijn achtergrond mij weliswaar pijnlijk, maar geen reden hem te vrijwaren van kritiek.

Het boekje bestaat uit drie hoofdstukken, en een inleiding waarin Finkelstein onder andere stelt dat de `American Jewry ``discovering' the Nazi holocaust was worse than it having been forgotten'. Het eerste hoofdstuk, `Capitalizing The Holocaust', wil laten zien dat de Amerikaanse joden, na aanvankelijke onverschilligheid zowel ten opzichte van Israel als van de Sjoa, ontdekten hoe zij beide konden gebruiken om hun politieke macht in de Verenigde Staten te vergroten. In hoofdstuk twee, `Hoaxers, Huxters, and History', `bewijst' Finkelstein de frauduleuze aard van Sjoa-memoires door twee schrijvers, Jerzy Kosinski en Binjamin Wilkomirski, nog eens als fantasten af te schilderen. In het laatste hoofdstuk, `The Double Shakedown', beschuldigt Finkelstein joodse organisaties van afpersing van Zwitserland en Duitsland die vervolgens het in naam van de overlevenden verkregen geld in eigen zak steken. Daarbij herhaalt hij enige keren de klacht dat zijn moeder veel te weinig geld kreeg (3500 dollar).

Overlevende

Wat brengt een zoon van overlevenden van de Sjoa ertoe niet alleen de revisionist David Irving als serieus historicus te prijzen, maar zelfs twee van diens stellingen over te nemen? Als er ergens sprake is van antisemitisme, dan moet je je afvragen of de joden dat niet zelf hebben opgeroepen (`The Holocaust framework [...] precluded the possibility that animus toward Jews might be grounded in a real conflict of interests'). En: het door de joodse organisaties die claims indienen genoemde aantal overlevenden van de Sjoa is zo hoog, dat als dit aantal klopt, er nooit zes miljoen joden kunnen zijn vermoord. Net als de revisionisten die dit argument gebruiken, negeert Finkelstein in die berekeningen het feit dat het begrip `overlevende', dat vlak na de oorlog alleen betrekking had op de mensen die uit de kampen werden bevrijd, later alle joden aanduidde die de Sjoa hadden overleefd, of dit nu was in een kamp, in de onderduik of als vluchteling.

Finkelsteins ouders kwamen na de oorlog naar Amerika, waar in de eerste decennia niemand iets wilde weten over hun ervaringen. Dit zwijgen, schrijft Finkelstein, kwam niet voort uit respect, maar uit onverschilligheid. Ook hier, in Europa, moesten de overlevenden ervaren, dat `men' niet geïnteresseerd was in wat zij hadden meegemaakt. Er was echter één groot verschil: hier vond men in elk geval binnen de joodse gemeenschap lotsverbondenheid – iedereen had geleden, ieders familie was gedecimeerd – het `zij' en `wij' was hier: niet-joden en joden. Een beschrijving hiervan vindt men onder andere in Ido de Haans studie Na de ondergang (Sdu, 1997).

In de Verenigde Staten was de situatie anders: verreweg de meerderheid van de Amerikaanse joden behoorde tot `zij': ongeïnteresseerde buitenstaanders, die niet begrepen en niet wilden weten. Geen wonder dat de verbittering van de naar de VS geëmigreerde overlevenden ook de Amerikaanse joden betrof. Toen de situatie in de VS in de jaren zeventig veranderde, werd de plotselinge belangstelling in huize Finkelstein dan ook met scepsis begroet.

Bij de ouders van Finkelstein lijkt ook hun politieke achtergrond een rol te spelen. Uit zijn beschrijvingen komt het beeld naar voren van een dogmatisch socialistisch gezin. Zoals religieuze joden na de oorlog vaak worstelden met de vraag hoe God dit had kunnen toestaan, zo moesten socialisten zich wel afvragen, hoe het nu zat met die solidariteit en met de goedheid van de mens. Wie wilde vasthouden aan de letter van het religieuze of socialistische geloof, ontkwam er soms niet aan de schuld voor een deel bij de joden zelf te leggen. Voor zulke mensen, die alles wat hun lief was, waren kwijtgeraakt, was het opgeven van ideologische of religieuze zekerheden een te hoge prijs. Dat zou kunnen verklaren waarom de woede van Finkelstein, die zich volkomen identificeert met zijn ouders, zich in zijn schotschrift nergens richt tegen de daders, maar des te meer tegen de slachtoffers en hun belangenorganisaties.

Finkelstein volgt Novick (en vele anderen) in de opvatting dat de zesdaagse oorlog van 1967 het keerpunt was voor de Amerikaanse joden, zowel wat betreft Israel als wat betreft de Sjoa. De algemeen aanvaarde (en door Novick niet weersproken) verklaring is, dat de angst dat Israel ten onder zou gaan in een oorlog met de Arabische wereld, associaties opriep met de Sjoa. Finkelstein ziet dat anders: de Amerikaanse regering en `de joodse elite' wisten al, dat Israel de sterkste partij was. Daarom koos Amerika dit keer de kant van Israel; de joodse organisaties, die tot dan toe op zijn best een lauwe sympathie voor Israel hadden getoond, zagen dat de regering de bakens verzette en haastten zich om hun beleid aan te passen. Om sympathie te winnen én om critici van Israel de mond te snoeren, werd de `holocaust-industrie' in het leven geroepen. Diezelfde propagandamachine werd in de jaren negentig ingezet om Zwitserland en Duitsland geld `af te persen'.

Complot

Finkelsteins betoog riekt naar complot-theorie. Hij verdraait bovendien feiten of verzwijgt ze als ze niet van pas komen. Zo verwijt hij de Holocaust-musea dat ze het leed van de Sjoa voor de joden monopoliseren, door andere vervolgde groepen uit te sluiten. De programma's van de twee bekendste musea, het Holocaust Memorial Museum in Washington en het Museum of Tolerance (Simon Wiesenthal Center) in Los Angeles laten iets heel anders zien. Men doet juist moeite om de `boodschap' van de Sjoa zo universeel mogelijk te maken door alle vormen van racisme er onderdeel van te maken. De uitwassen van die benadering zijn in het boek van Novick juist het onderwerp van kritiek. Er is inderdaad gevochten in de voorbereidingscommissie van het museum in Washington: vooral Elie Wiesel was bevreesd dat de uniciteit van de jodenmoord uit beeld zou verdwijnen. Die strijd heeft hij echter verloren. Het museum is officieel gewijd aan de nagedachtenis van de zes miljoen vermoorde joden en de miljoenen andere slachtoffers van het nazisme. Zigeuners, gehandicapten, Jehova's getuigen, homoseksuelen, Polen, politieke dissidenten en Russische krijgsgevangenen worden expliciet genoemd. Overigens een politiek correcte, maar historisch wat problematische opsomming.

Bij zijn bespreking van de `chantage' en `afpersing' van Duitsland en de Zwitserse banken gaan alle registers bij Finkelstein open: `In recent years, the Holocaust industry has become an outright extortion racket'. Het World Jewish Congress en daarvoor, in de jaren vijftig, de Claims Conference, verrijken zich volgens hem ten koste van de `echte' overlevenden, waarbij het de vraag is wie daarmee worden bedoeld: behalve zijn ouders is er niemand, maar dan ook niemand die deugt. Het merendeel van degenen die een beroep doen op compensatieregelingen heeft een kampverleden verzonnen, meent Finkelstein. Maar als hij de `machinaties' van de Claims Conference beschrijft, zijn het ineens de arme, bejaarde overlevenden die geen of veel te weinig geld krijgen, omdat het merendeel naar joodse organisaties en de wederopbouw van joodse gemeenschappen in het naoorlogse Europa zou zijn gegaan.

De werkelijkheid is anders: de definitie van `overlevende' werd in de jaren vijftig uitgebreid om ook onderduikers en anderen die niet in kampen gevangen hadden gezeten, maar wel onder de vervolging hadden geleden, de materiële compensatie te kunnen geven waarop zij recht hadden. Men hoefde dus helemaal geen kampverleden te `verzinnen'.

Niet alleen individuen waren bestolen en vernietigd door de nazi's, maar ook de infrastructuur van joodse gemeenschappen, synagogen, rabbijnenopleidingen, culturele en charitatieve organisaties. Daarom werd besloten de gelden die niet individueel geclaimd konden worden, omdat hele families in het niets waren verdwenen en er dus geen overlevenden waren om een claim in te dienen, te bestemmen voor de wederopbouw van joods leven in de door de nazi's bezette landen van Europa. Een inspanning overigens, die tot op de dag van vandaag met veel moeite en constant geldgebrek wordt voortgezet.

Zwitserse banken

Ook de recente inspanningen van het World Jewish Congress om (eindelijk) de slapende Zwitserse banktegoeden boven tafel te krijgen, vinden geen genade in Finkelsteins ogen. Het feit dat Amerikaanse politici (inderdaad, om stemmen te winnen) de claims steunden, is al voldoende bewijs dat er hier sprake is van `chantage'. Bovendien verdienen advocaten en medewerkers van het World Jewish Congress kapitalen, terwijl de rechthebbende individuen armoe lijden.

Ook hier interpreteert Finkelstein losjes: het Zwitserse geld is nog steeds in Zwitserland, waar het blijft tot Amerikaanse rechters een beslissing hebben genomen over de verdeling ervan. Veel advocaten en experts worden betaald door bijvoorbeeld verzekeringsmaatschappijen en beslist niet uit de claimsgelden.

Finkelsteins stelling dat het bij de recente claims tegen Duitse bedrijven gaat om afpersing, omdat er na de oorlog al zo veel betaald zou zijn, raakt kant noch wal. De Wiedergutmachung, die sedert de jaren vijftig door Duitsland wordt betaald, is een algemene compensatie voor materiële schade. Bij de recente claims gaat het om de uitbetaling van loon aan dwangarbeiders en slaven in de kampen, een ruimere groep dan alleen joden. Deze claims zijn gericht tegen bedrijven die van deze dwangarbeid hebben geprofiteerd. Omdat de meeste bedrijven weigeren aan deze morele verplichting te voldoen, heeft de Duitse regering het fatsoen gehad de verplichting over te nemen.

In Nederland, waar de afgelopen jaren twee vergelijkbare claimprocedures hebben gespeeld (een tegen de Staat der Nederlanden en een tegen de Amsterdamse beursorganisatie AEX), geldt hetzelfde: het gaat om compensatie voor gestolen aandelen en om in de naoorlogse jaren ten onrechte niet nagekomen verplichtingen van de Nederlandse staat ten opzichte van de berooide overlevenden. Het is een misverstand dat het om `smartengeld' zou gaan, vergelijkbaar met de in de VS aan de `slachtoffers' van de tabaksindustrie toegekende gelden: het gaat om compensatie voor materiële schade of om terugbetaling van gestolen geld of eigendommen.

Men kan soms vraagtekens zetten bij de retoriek die wordt ingezet om de eisen kracht bij te zetten. Daarbij moet men overigens wel bedenken, dat tot het moment dat de feiten publiciteit kregen in de massamedia, met name de Zwitserse banken altijd hebben geweigerd mee te werken aan een onderzoek naar de tegoeden. Het alternatief zou zijn geweest netjes te zwijgen en deze banken hun op onoorbare wijze verkregen kapitalen te `gunnen'.

De wijze waarop de herinnering aan de Sjoa in stand wordt gehouden en soms voor oneigenlijke doelen wordt gebruikt, roept vragen op die inzicht kunnen geven in de manier waarop wij met complexe historische en ethische kwesties omgaan. Kritiek op de reductie van een in zijn systematiek unieke massamoord op een minderheidsgroep tot makkelijk verteerbare sound bites is niet alleen terecht, maar zelfs noodzakelijk. Het onderwerp verdient dan ook beter dan deze oppervlakkige en kwaadaardige polemiek, die alleen maar schade toebrengt aan de nagedachtenis van de slachtoffers, die Finkelstein juist beweert te willen eren.

*De Hebreeuwse term Sjoa betekent `catastrofe' en is toepasselijker dan het aan het Grieks ontleende holocaust, dat `brandoffer' betekent en daardoor een in mijn ogen verkeerde religieuze connotatie heeft.

Morgen publiceert het Zaterdags Bijvoegsel een interview met Norman Finkelstein.

    • Manja Ressler