Traktaten vol kippenmest

De film `Christus kwam niet verder dan Eboli' (1979) van Francesco Rosi is bekender dan het boek dat eraan ten grondslag lag. Carlo Levi's vijftig jaar oude klassieker blijkt in een nieuwe Nederlandse vertaling nog altijd overrompelend.

In 1935 werd de Italiaanse kunstschilder Carlo Levi door het fascistische bewind veroordeeld tot drie jaar binnenlandse ballingschap in het uiterste zuiden van het land. Niet omdat hij jood was – dat speelde in het Italië van die tijd nog nauwelijks een rol – maar vanwege politieke activiteiten die de machthebbers niet bekoorden. Levi heeft die drie jaar niet volgemaakt. Dankzij een algemene amnestie, afgekondigd na de Italiaanse overwinning in Abessinië, mocht hij al na een jaar terug naar zijn woonplaats Turijn.

Van zijn ervaringen in het verkommerde gehucht Aliano schreef Levi een indringend verslag, dat pas na de oorlog kon verschijnen. Christus kwam niet verder dan Eboli is zijn belangrijkste boek gebleven (hij schreef verder een aantal reisverslagen, onder andere over Sicilië en de Sovjet-Unie) en het werd al in 1950 in het Nederlands vertaald. Het kwam opnieuw in de belangstelling toen Francesco Rosi er in 1979 een prachtige verfilming van maakte, met Gian Maria Volonte en Irene Papas in de hoofdrollen. Nu ligt er, ogenschijnlijk zonder directe aanleiding, een nieuwe Nederlandse vertaling in de boekhandel. Levi's verslag bewijst nog altijd een overrompelend boek te zijn, dat geen bijzondere aanleiding nodig heeft om te verbluffen en te verbijsteren.

Christus kwam niet verder dan Eboli is een van die boeken die duidelijk maken hoe onzinnig het is de grenzen van de literatuur te laten samenvallen met de grenzen van de fictie. Levi verzint niets (of pretendeert dat althans niet) en toch zal niemand het boek een ereplaats in de Italiaanse literatuur willen ontzeggen. Hij vertelt zelfs niet alleen maar. Hij onderbreekt zijn verslag regelmatig met overpeinzingen over de rol van de geschiedenis en de bewegingloze tijd van het plattelandsleven, over de vloeiende grens tussen mensen en dieren in het leven van Aliano, over de rol van de staat en de averechtse uitwerking van al zijn pogingen tot verbetering van de levensomstandigheden, en over een nieuw soort politiek dat Zuid-Italië zou kunnen verlossen uit zijn lethargie.

De stagnatie waarin het zuiden van Italië in de jaren dertig verkeerde, vormt de grondtoon van het boek en de verklaring van de titel ervan. Eboli, een stadje even onder Napels, is de grens tot waar het christelijke Europa is voortgeschreden. Alles wat verder ligt, is hooguit in naam gekerstend, maar in werkelijkheid blijven voortleven in een voorchristelijke natuurstaat waaraan de Europese historie voorbij is gegaan. De tijd is er nog cyclisch, de natuur nog vol magie en toverij, de verhoudingen feodaal en de berusting algemeen.

Levi is een begenadigd observator en een schitterend beschrijver van karakters. Zijn portret van de pompeuze burgemeester van het dorp, dat in het boek Gagliano heet, met zijn binnenskamerse angst voor zijn ambitieuze echtgenote wordt hoogstens overtroffen door dat van de tragische pastoor don Trajella, die zich als docent aan het seminarie ooit iets te veel voor zijn pupillen interesseerde en sindsdien verbannen is naar een pastoorswoning waar de kippenmest zich ophoopt op de theologische traktaten.

De ondertoon van Levi's verslag is woede over de verkommering van het dorp, die door de incompetentie en domheid van de plaatselijke overheden en het onbegrip van de staat opzettelijk in stand lijkt te worden gehouden. Het totale gebrek aan ontwikkeling en hygiëne wordt verergerd door de voortdurende dreiging van malaria waartegen geen enkele voorzorgsmaatregel genomen wordt en waarvoor vrijwel elk medicijn ontbreekt. De artsen van het dorp zijn zo onwetend of onbekwaam dat de bevolking hen bij ziekte het liefst ontvlucht. In die omstandigheden is het gerucht dat Levi arts is voldoende om een stormloop op zijn huis te ontketenen.

Levi wordt daardoor flink in verlegenheid gebracht. Hij heeft zijn artsenberoep al jarenlang niet meer uitgeoefend en realiseert zich terdege dat hij zijn gepasseerde plaatselijke confraters daarmee tot aartsvijanden zal maken. Maar het besef dat zijn beperkte vermogens nog altijd veel beter zijn dan hun incompetentie brengt hem ertoe half-clandestien voorzichtig de eenvoudigste ingrepen te verrichten. Dat geeft hem een bijzondere status in het dorp en een geprivilegieerde toegang tot het leven achter de gesloten gevels van de huisjes en de gedachten achter de al even gesloten gezichten.

Zo leert Levi gaandeweg begrijpen waarom de berusting van de dorpelingen niet voortkomt uit willoosheid, maar de meest rationele manier is om het hoofd te bieden aan hun omstandigheden. De staat is voor hen een onbegrijpelijke en wispelturige grootmacht, wiens beweegredenen des te catastrofaler uitpakken naarmate de bedoelingen beter zijn. Zo beschrijft Levi hoe het regime de Italiaanse bossen wil beschermen door een hoge belasting te heffen op het houden van geiten, die de bast opeten. Maar, zo schrijft hij, `in Gagliano zijn geen bomen en de geiten vormen de enige rijkdom van de boer. De belasting op geiten is (–) een ramp waar zij niets tegen kunnen doen. Noodgedwongen worden de geiten dus geslacht en blijven de boeren achter zonder melk en zonder kaas.'

Tegen het einde van het boek ontvouwt Levi in enkele regels zijn alternatief, dat fascistisch noch communistisch noch liberaal wil zijn. Volgens Levi gaan al die modellen, ondanks hun grote verschillen, uit van een abstracte staatsidee, waartegenover het individu even abstract wordt en het bovendien altijd moet afleggen. In werkelijkheid zijn mensen geen individuen, maar leden van overzichtelijke collectieven, die Levi `autonomieën' noemt. Dergelijke `autonomieën' zouden volgens hem de werkelijke bouwstenen van de staat moeten vormen.

Dat doet denken aan wat vandaag de dag `communitarisme' heet en ook enigszins aan het raden-communisme. Hoe snel je met dat, op het eerste gezicht sympathieke, uitgangspunt van de regen in drup raakt, blijkt al een paar regels verder, wanneer Levi schrijft: `Het individu en de staat vallen samen in hun essentie, en om te kunnen bestaan moeten ze ook in de dagelijkse praktijk samenvallen.' Dat is vanuit zijn gezichtspunt een logische conclusie, maar precies die opheffing van de scheiding tussen individu en staatsburger, of tussen staat en burgerlijke maatschappij, was wel een van de kernpunten van het Italiaanse fascisme.

Uit dergelijke passages blijkt hoe open, maar in veel opzichten ook naïef, het politieke denken in de jaren dertig nog kon zijn. De ervaring van de Tweede Wereldoorlog en van de ontsporingen waartoe de politieke experimenten van het interbellum hebben geleid, hebben het politieke debat sindsdien een maar al te begrijpelijke schichtigheid gegeven, waarin het aanroepen van de democratie als oplossing van alle politieke kwalen vaak meer weg heeft van een magisch gebaar dan van een politieke stellingname. In het naoorlogse debat is er, ironisch genoeg, geen groter taboe dan de democratie, waarvan de legitimiteit hoogstens als gedachtenspel, maar nooit serieus ter discussie mag worden gesteld.

Als arts leert Levi gaandeweg oog te hebben voor de realiteit van de magische praktijken die onder de bevolking gangbaar zijn en waaraan ook hij zich niet kan onttrekken. Bij ziekten dragen patiënten een briefje om hun hals met daarop het magische woord Abacadabra, dat genezing moet brengen. Maar ook de moderne tijd heeft zijn amuletten, zo realiseert hij zich. Waarin verschilt zo'n briefje eigenlijk van de artsengewoonte bij iedere ziekte een recept uit te schrijven, ook als het niet nodig is? Hoeveel magie zit er in het het spreekwoordelijk onleesbare doktershandschrift en het gebruik van een geheimtaal als het Latijn?

Dergelijke observaties maken Christus kwam niet verder dan Eboli niet alleen tot een literair maar ook tot een cultureel-antropologisch meesterwerk, waarin verhaal, anekdote en overpeinzing vloeiend vervlochten zijn, in een onnadrukkelijke stijl die wars is van mooischrijverij. Dat gaat zelfs aan de burgemeester van Gagliano niet voorbij. Hij is belast met de censuur van Levi's correspondentie en oefent die taak zonder enige gêne uit. `Wat schrijft U toch mooi, don Carlo', vertrouwt hij hem op een dag toe. `Ik lees uw brieven letter voor letter. Die van drie dagen geleden heb ik voor mezelf overgeschreven; het is een meesterwerk!' En het blijft niet bij die ene brief. Uiteindelijk kopieert de burgemeester alles wat Levi schrijft. `Het resultaat', verzucht die tenslotte, `was dat mijn correspondentie nooit werd verstuurd.'

Carlo Levi: Christus kwam niet verder dan Eboli (Cristo si è fermato a Eboli). Uit het Italiaans vertaald door Margriet Agricola. Het Spectrum, 268 blz. ƒ36,50

    • Ger Groot