Rechterlijke macht wil geen fopspeen

Het voorstel van staatssecretaris Cohen om de rechterlijke macht het integraal management over de eigen organisatie te geven, is vragen om problemen. De bepalingen in het wetsontwerp betreffende de benoeming en herbenoeming van de presidenten, mogen al helemaal geen kracht van wet krijgen, meent M.P.A.M. Fruytier.

De rechterlijke macht gaat op de schop. Voor het eerst sedert 1827, zo liet een trotse staatssecretaris Cohen weten in deze krant van 17 juni. Waarom moet de rechterlijke macht op de schop? Omdat Justitie haar het integraal management wil geven, gelardeerd, zo heb ik begrepen, met een zak geld. Justitie presenteert het als een versterking van de rechtspraak, maar, zoals Cassandra al zei, zijn opponenten moet men vrezen, ook al brengen zij geschenken. En integraal management kon wel eens een zeer giftig geschenk zijn.

Tot op heden zijn rechterlijke macht en haar ondersteuning twee gescheiden organisaties. De eerste wordt weliswaar benoemd op voordracht van de minister, maar regelt zichzelf, de tweede is een buitendienst van Justitie. Zo wordt de onafhankelijkheid gegarandeerd. De collegevoorzitters zijn voor het leven benoemd en hebben aldus een sterke positie ten opzichte van het departement. Integraal management betekent dat rechterlijke macht en ondersteuning worden samengevoegd onder leiding van de president van het college. Deze moet echter zijn managementdirectieven halen bij de in te stellen Raad voor de Rechtspraak; op zijn beurt moet de Raad te biecht bij het departement.

Het integraal management is in de opzet van Justitie dus zo ingericht dat de rechterlijke macht in feite hiërarchisch wordt gestructureerd met de minister van Justitie aan de top; hier en daar is in de wetsontwerpen nog een regel te vinden om onafhankelijke besluitvorming van zijn individuele leden zeker te stellen. Maar wat zijn deze garanties waard in een hiërarchisch stelsel dat is opgetuigd met moderne personeelsmiddelen als functioneringsgesprekken en verfijnde individuele competentieprofielen? En waar eindigt besluitvorming waar de presidenten niet aan mogen tornen en begint beheer waar de leden van het college zich moeten schikken? Tal van geschillen zijn denkbaar.

Of het constitutioneel allemaal deugt, is de vraag. Verder valt nog te bezien of een aantal bepalingen een toetsing door het Europees Hof voor de Mensenrechten in Straatsburg zal overleven. Eén stel bepalingen uit de twee wetsontwerpen die thans bij de Tweede Kamer aanhangig zijn, vraagt in dit verband bijzondere aandacht: de bepalingen die de benoeming en herbenoeming van de presidenten, de leden van de Raad voor de Rechtspraak alsmede de sectorvoorzitters regelen. Langs die weg dreigt Justitie in de nabije of verdere toekomst greep te krijgen op de rechterlijke macht in een mate die tot nu toe ondenkbaar was.

Voor de benoeming van de genoemde functionarissen zijn in principe drie opties denkbaar, te weten benoeming voor het leven of benoeming voor een bepaalde tijd met al dan niet de mogelijkheid van herbenoeming. Van deze drie opties is de laatste, benoeming met de mogelijkheid van herbenoeming, de slechtste en juist die is door Justitie en de Nederlandse Vereniging voor Rechtspraak omarmd. Waarom is juist die optie zo slecht?

De rechterlijke macht is in Nederland zwak georganiseerd. Anders dan bijvoorbeeld in Duitsland, bestaan geen regels voor sector- of kamerindeling en evenmin voor zaakstoewijzing. In principe zijn president en sector- c.q. kamervoorzitter almachtig en kunnen zij rechters al naar believen indelen en zaken ter berechting toewijzen. Promotie is niet geregeld en daarom de achilleshiel van de rechterlijke onafhankelijkheid. Intern is de structuur dus los. Justitie heeft er tot nu toe maar gedeeltelijk vat op. De presidenten kunnen immers niet worden afgezet en zijn dus niet te beïnvloeden; promotie is weliswaar een zaak van het departement, maar wordt getemperd door het recht van – niet bindende – voordracht door het college.

Dat gaat drastisch veranderen. Het laat zich nog verstaan dat integraal management en onafzetbaarheid elkaar bijten. Maar benoeming voor een vaste termijn met de mogelijkheid van herbenoeming, zet de deur wagenwijd open voor interventie van geheel andere aard van de zijde van Justitie dan tot nu toe mogelijk is. Daartegen ontbeert de rechterlijke macht adequate verdedigingsmiddelen. Een president die niet herbenoemd kan worden, vertrekt eervol, een president die niet herbenoemd wordt, gaat af. Ook presidenten is niets menselijks vreemd. Zij zullen dit beseffen en langzaam maar zeker worden zij, bewust of onbewust, zeker met het wisselen van de generaties, gevoelig voor subtiele beïnvloeding van het departement. Bijna onvermijdelijk zullen zij geneigd zijn om hun rechters aan te spreken, ook op hun beslissingen.

Verfijnde personeelsinstrumenten, sector- en kamerindeling alsmede zaakstoewijzing zijn hun daarbij behulpzaam. Dat presidenten beschermd zouden worden tegen beïnvloeding, omdat een weigering hen te herbenoemen moet worden gemotiveerd, is een illusie. In zaken als deze moet men principieel zijn en niet gaan `polderen'. Deze bepalingen mogen geen wet worden.

M.P.A.M. Fruytier is kantonrechter te Amsterdam.

    • M.P.A.M. Fruytier