Pierre Bonnards lange aanloop tot de vrouw in het bad

Elke liefhebber van beeldende kunst koestert wel een rijtje kunstenaars die niets fout kunnen doen. Wat voor schilderij of beeld ze ook maakten, het zien van hun werk zal hoe dan ook de moeite waard zijn. En mocht het teleurstellen, dan is er zoveel `goodwill' dat het zo'n favoriet snel wordt vergeven. Waarom zouden ze geen dip mogen hebben? Er staan genoeg hoogtepunten tegenover.

Musea houden niet van de `dips' in een oeuvre. Begrijpelijk, want een aankoop moet een eeuwigheid mee. En met terugwerkende kracht kan het gewicht van een museumdirecteur er op worden afgerekend. Daarom moeten particuliere verzamelaars vaak met minder genoegen nemen. Behalve van musea, hebben ze de laatste jaren bovendien steeds meer concurrentie van andere rijken, die op diezelfde, nog beschikbare topwerken jacht maken.

Wie wil er van Pierre Bonnard (1867-1947) een vrouw in bad? Wie niet, zou je zeggen. Zijn Marthe werd keer op keer zo delicaat en onverwoestbaar jong geschilderd, dat je je wel kan voorstellen hoe Bonnard haar terloops in de keuken, op de gang, even moet hebben gekoesterd. Bijna zou je vergeten dat er een moeizame aanloop voor nodig was om alleen al dat kabbelende licht te kunnen waarnemen, dat in diezelfde badkamer in ontelbare verftoetsen op haar rug uiteenvalt.

De Fondation Dina Vierny in Parijs laat deze zomer zien wat voor werken er aan deze prototypische Bonnards vooraf gingen en welke landschappen, portretten, stillevens en stadsgezichten er ook later tot stand kwamen. Misschien wel als tussendoortjes, omdat de schilder toevallig die ene dag even niets anders te doen had. Dina Vierny, het trouwe model van beeldhouwer Aristide Maillol (1861-1944) die haar na Marthe's dood wel eens aan Bonnard `uitleende', bracht in haar museum zo'n zestig olieverven uit privé-bezit samen. Veelal kleinere formaten, maar ook vier forse doeken met sprookjesachtige landschappen die hij in opdracht maakte. Een uitzonderlijke kans dus om de `hele' kunstenaar te leren kennen, inclusief `dips'. En die waren er zeker.

Bonnard behoort tot die kunstenaars van rond de eeuwwisseling voor wie het leven van alledag voldoende te zien gaf. Geen ideale ongereptheid, zoals bij Gauguin, geen theater, zoals bij Degas, en geen zelfkant, zoals bij Lautrec. Bonnard biedt huiselijkheid, met een paar lezende kinderen in een hoekje, met een fruitschaal en een lonkende poes op tafel, met het panorama dat een open keukenraam biedt. Zelfs met een vergiet naast wat ander kookgerei aan de muur kon hij wel uit de voeten.

Aanvankelijk smeerde Bonnard zo'n aanblik op het linnen potdicht, in bruintinten en met een kinderlijk `handschrift'. De kwast strijkt wel hortend mee met de structuur van een laken of met de vacht van zo'n poes, maar dat atmosferisch opvoeren van wat licht aanricht – in vegen en vlekken, in laag over laag – dat zou pas veel later komen. En als er al een aanzet toe is, zoals een herfstig, in oker en oranje gekleurd bos uit 1894 – als de zon net doet alsof het zomer wordt – dan wordt er met een wel erg grove kwast gepointilleerd.

Dat Bonnard altijd al een voorliefde had voor dat wat doorgaat voor onbeduidend maar soms stevig in het geheugen beklijft, vertelt het portret van zijn grootmoeder. Een gezette vrouw in het zwart gehuld, die niet naar de vogelkooi achter haar, maar naar een zwarte lege stoel kijkt. Nou ja, kijken, we zien haar alleen maar zijdelings, met afgewend hoofd. Wie weet suggereerde Bonnard hoe ze de man van die stoel miste, hoe ze peinsde over het naderende afscheid van de wereld, of hoe ze onopvallend in huis aanwezig was.

Zo'n statisch tafereel van iemand in die je niet écht kan observeren, heeft alles in zich om er snel langs te lopen. Maar wat paarse en violette verfstriemen op de voorgrond – misschien was het wasgoed of een kussen dat zijn grootmoeder droeg – trekken onwillekeurig je blik toch dieper het beeld binnen. Een typisch Bonnard-trekje, om in kleur en compositie contrasten tussen helderheid en schimmigheid geraffineerd aan te scherpen.

Bonnard, de laatste impressionist zoals hij wel wordt genoemd, werkte veel op basis van schetsen die hij op zijn dagelijkse wandelingen in Normandië en Zuid-Frankrijk maakte. Thuis keerde hij zich vaak van een opgesteld stilleven af, bang om al schilderend te veel te zien. En dat kijken hield nooit op. Als hij zijn verkochte doeken ergens tegenkwam, haalde hij desnoods nog even een penseeltje en een verfdoosje uit zijn jaszak om er verder aan te sleutelen.

Picasso verweet hem `potpourri's van besluiteloosheid' te schilderen. Maar Bonnard moest het juist hebben van dat dolen en twijfelen, zo blijkt op deze tentoonstelling. Zodra hij rechttoe-rechtaan een schaal met fruit neerzet, valt er niets te beleven. Ook de Françaises die hij met hoedjes en parasols op straat of op de Pont Neuf tegenkwam, worden alleen maar gered door de sfeervol getroffen entourage van zandsteen en een ijselijk blauwe Seine.

Hoe ouder Bonnard werd, hoe meer je van zijn werk gaat houden. En dan kom je, inderdaad, de mooiste, naakte Marthe's tegen. Twijfelachtige fragmenten werden steeds weggeveegd, in een poging om met blauwig-violet, roomwit of met het vlammige oranje van Gauguin een eigen waarachtigheid nabij te komen. Dan ontstaan ook die zachtgele en groenige kamers met wat stoelen en prullaria, die zelfs bij toeschouwers een heimweegevoel oproepen. En dan zijn er de zelfportretten van een magere, onopvallende man, een kantoorklerk met een ziekenfondsbrilletje, afhangende schouders en teveel zorgen: de besluiteloze Bonnard, ondergedompeld in een roes van weldadig warm, mediterraan zonlicht.

Tentoonstelling: Pierre Bonnard. T/m 8/10. Fondation Dina Vierny-Musée Maillol. 61, rue de Grenelle, 75005 Parijs. Geopend: 11-18 uur, behalve di. Catalogus: Ffr. 150.