Love, Murder, God

Alleen al de laatste twee jaar zijn er van Johnny Cash meer dan twintig verzamel-cd's verschenen. Daarnaast verscheen vorig jaar eindelijk de ongecensureerde versie van Johnny Cash At Folsom Prison, het legendarische live-album uit 1968. Dat is nogal overdadig, en bovendien: met de fenomenale geluidskwaliteit van Super Audio CD in aantocht zullen er op dit moment weinig liefhebbers zijn die nog de volle mep willen betalen voor heruitgaven van oude platen op cd. Goed idee dus van Sony/Columbia om deze drie cd's, elk opgebouwd rond een thema, uit te brengen voor een `nice price'.

De verzamelingen zijn door Cash zelf samengesteld, en geven een beeld van de 45-jarige carrière van de immer in het zwart geklede man, die weliswaar tot de country & western wordt gerekend, maar in feite een genre op zich is. Van iemand met zo'n onvaste stem als Cash zou je kunnen zeggen dat hij eigenlijk niet kan zingen. Toch draait zijn muziek voornamelijk om die stem. Gebarsten, maar gezegend met het vermogen om werelden op te roepen van onafwendbaar onheil, van dreiging, van dood. Maar ook van melancholie, verlangen en berusting.

De instrumentale begeleiding bestaat vaak uit niet meer dan een of twee gitaren en een staande bas. Een baslijntje wordt gedubbeld door de ene gitaar, de andere speelt ritme. De stem op zich is al genoeg. Zo zijn op Love qua melodie identieke nummers als `I Walk The Line', het prachtige, als in een roes gezongen `Ballad Of Barbara', en het in `58 voor zijn grote liefde June Carter geschreven `I Still Miss Someone' drie geheel verschillende nummers, waarbij die instrumentale gelijkenis niet irriteert. Van de samen met echtgenote June Carter geschreven liedjes zijn er hier ook een paar opgenomen, waaronder het persiflerende `My Old Faded Rose'. En natuurlijk ontbreekt `Ring Of Fire' niet. Deze liefdesverklaring van Carter, die in haar uitvoering een gelukzalige indruk wekt, contrasteert flink met die van Cash, die klinkt alsof hem een ongeluk is overkomen. En dat is maar goed ook, want waar Cash sentimenteel dreigt te worden, zoals hier in `My Shoes Keep Walking Back To You' en `Happiness Is You', doet hij af en toe denken aan de suikerzoete Jim Reeves.

Die weeïgheid ontbreekt gelukkig geheel op God. De enige andere zanger op wie Cash daar even lijkt, is Leonard Cohen. Vier van de zestien songs dateren uit de jaren negentig, waarmee dit de verzameling is geworden met de meeste recente liedjes. Het meeste werk dateert uit de jaren vijftig en zestig. De gospelkoortjes voor de achtergrondzang waren toen zo te horen geheel uit blanken samengesteld, zeker op platen die in het zuiden van de VS werden gemaakt. Dat geluid geeft, samen met de in die jaren gebruikelijke ruime dosis toegevoegde echo, nummers als `It Was Jesus' hun eigen, gedateerde charme. Pas op `Oh Come, Angel Band' uit `79 duikt er wat zwarte soul op in de achtergrond.

Zoals Cash (die zichzelf aanvankelijk als gospelzanger zag, maar met dat repertoire door Sun Records-eigenaar Sam Phillips werd geweigerd met de mededeling dat hij eerst maar eens iets commercieels moest schrijven) in de begeleidende tekst zelf opmerkt: `God likes a southern accent and He tolerates country music and quite a bit of guitar.' Geen spoor op deze plaat van sentimentele devotie of zalvende ootmoedigheid, wel een demonstratie van Amerikaanse geloofsbeleving. Enerzijds de ongecompliceerde oppervlakkigheid van `The Greatest Cowboy Of Them All' en `Oh, Bury Me Not' (met als introductie het tamelijk erge `A Cowboy's Prayer'), anderzijds het intelligente `Man In White' (`just another peasant preacher/ who came up from Galilea/ blaspheming troublemaker/ we let him be crucified'). `Swing Low, Sweet Chariot', toch niet een nummer waarbij je in de eerste plaats aan Johnny Cash denkt, wordt in nog geen twee minuten soulvol en geloofwaardig gezongen. Samen met de Carter Family wordt ook de gospel `Were You There (When They Crucified The Lord)' gloedvol uitgevoerd. Intens klinkt ook de vertwijfeling in `What On Earth Will You Do'.

De religieuze albums die Cash in het verleden volzong vormen een groot contrast met de platen waarmee hij beroemd is geworden. En die gaan over moord en doodslag. Murder opent met `Folsom Prison Blues', een van de eerste songs die Cash schreef, en die hem meteen al onsterfelijk maakten door de regels `But I shot a man in Reno/ just to watch him die'. De begeleiding klinkt sober en hoekig, alsof de handen die de instrumenten vasthouden nog geschaafd en gekneusd zijn van een knokpartij. Opgenomen in 1955, maar dankzij die stem, waarin trots, agressie, vertwijfeling en spijt in meeklinken maakt het nog evenveel indruk als het bijna een halve eeuw geleden moet hebben gedaan. Niet alleen door wat hij zegt, maar door het bedreigende gevoel dat hij meent wat hij zingt. Hij vertelt er niet alleen over, hij heeft het meegemaakt, en als hij er al spijt van heeft, dan is dat voor eeuwig te laat.

Waar de gemiddelde gangsta-rapper niet verder komt dan hol gesnoef over zijn misdaden, daar begint Cash pas. Niet de misdaad zelf, maar het besef achteraf, de slapeloze nachten waarin het geweten de dader dwingt het gruwelijke van zijn misdaad te beseffen, en waarin de dagen worden geteld tot de gang naar de elektrische stoel. Dat is het gevoel dat Cash weet op te wekken. `First time I shot her/ I shot her in the side/ Hard to watch her suffer/ But with the second shot she died, zingt Cash koud en onbewogen in `Delia's Feet'. Maar in zijn radeloosheid achteraf zoekt hij hulp, al is het maar bij de cipier: `Jailer, oh jailer/ Jailer I can't sleep/ Cause all around the bedside/ I hear the patter of Delia's feet'. De enige echt amorele song op deze bloemlezing is `Cocaine Blues', het live opgenomen lied van de razende, volledig doorgedraaide cokejunk, door Cash met overslaande stem vertolkt. Zelfs van achter de tralies sneert hij nog `I can't forget the day I shot that bad bitch down'. De zin wordt met gejuich ontvangen door de inmates van Folsom Prison. Dertig jaar geleden opgenomen, en nog altijd huiveringwekkend.

Johnny Cash: Love (Columbia 489642); Murder (489643); God (489644).

    • Bart Jippes