Interactief échec

Hoewel popmuziek de populairste kunstvorm is, sloot het Britse National Centre for Popular Music in Sheffield vorige week zijn deuren. Het was het pas vorig jaar geopende Centre niet gelukt om de liefhebbers van popmuziek naar de roestige industriestad te trekken. In plaats van de verwachte 8.000 bezoekers per week, kwamen er slechts 2.000.

Op het eerste gezicht verbaast het misschien dat een centrum over zo'n populair onderwerp, zo weinig bezoekers trekt. Maar degenen die wel eens het Centre hebben bezocht, kan de sluiting niet echt hebben verrast. Vol trots liet het 50 miljoen gulden kostende Centre bij de opening weten dat het geen gebruikelijk museum was en dat het, anders dan de vier jaar eerder geopende Rock 'n' Roll Hall of Fame in Cleveland, evenmin een ordinair pakhuis van popmemorabilia was. Nee, het was `s werelds eerste interactieve attractie, gewijd aan popmuziek'.

Ongetwijfeld is dit waar, maar het was geen garantie voor een interessante inhoud. De interactiviteit bleef beperkt tot een zaal waar het publiek met computers en andere electronische middelen op primitieve wijze klanken kon produceren. Voor de rest was het centrum een irritant zapmuseum, waar foto's, video- en filmfragmenten en een afgrijselijk bombastische `soundscape' een overzicht van de popmuziek moesten geven.

De sluiting van het National Centre for Popular Music is de laatste in een serie mislukkingen. In Nederland kon het door Renzo Piano ontworpen NewMetropolis, het nieuwe interactieve techniekmuseum in Amsterdam, alleen worden gered door een drastische koersverandering en een nieuwe naam, Nemo. De Millennium Dome in Londen, de prestige-expositie van de regering-Blair over het leven in de 21ste eeuw, trekt veel minder bezoekers dan verwacht. En de Wereldtentoonstelling in Hannover loopt door de geringe populariteit uit op een financiële ramp.

Wat deze musea en exposities gemeen hebben is dat ze allemaal het stoffige imago van de traditionele musea en exposities willen doorbreken. Ze willen iets anders laten zien dan oude en authentieke (kunst)voorwerpen waarvoor men gewoonlijk naar een museum gaat. Wat ze ervoor in de plaats stellen kan vooralsnog niet wedijveren met de authenticiteit van de oude musea. De virtuele wereld die ze ons laten zien, blijkt vaal en primitief en de interactieve attracties zijn armetierig of juist te complex. Teleurstellend vaak zijn de computers buiten werking, en als ze het wel doen, blijkt het drukken op knoppen knullige of onzichtbare gevolgen te hebben.

In het National Centre for Popular Music wemelde het, net als op de Expo in Hannover, van de computers. Maar de meeste bleven ongebruikt en de paar bezoekers die enthousiast aan de slag gingen, hielden er al gauw mee op: de virtuele wereld bleek toch minder aantrekkelijk dan de echte wereld.

    • Bernard Hulsman