Geboren voor het geluk

Wat de erfenis van Bill Clintons presidentschap ook is, vast staat dat zijn onstuimige persoonlijkheid de politieke roman in Amerika nieuw leven heeft ingeblazen. Zelfs een oud-CIA-agent probeert langs literaire weg wraak te nemen op zijn voormalige baas.

Hij heet Jack Stanton, Charles Sheffield of John Fitzgerald Adams. Hij is een charmeur, een verleider en een manipulator, die medewerkers voor zijn karretje spant en hen laat vallen zodra ze hun dienst hebben bewezen. Als een filmster hongert hij naar roem. Hij koketteert met zijn vermeende amateurisme. Hij is katachtig snel in het beoordelen van vrienden en vijanden. Hij is ongrijpbaar en grillig. En hij is de president van de Verenigde Staten. De romanfiguren Stanton, Sheffield en Adams zijn puur Bill.

En zoals de echte Bill, krijgen ook zij heel wat naar hun hoofd. De president is een `once-in-a-lifetime motherfucker', laat Charles McCarry hem in Lucky Bastard ongezouten typeren. De echtgenote van president Adams noemt haar man in hetzelfde boek een `lafaard' en `een hol vat'. `Een leugenaar. Een extreme egoïst, een kind op seksueel gebied, een kind in alles. Behalve in praten en politiek – daarin is hij briljant.' Hij is een politicus omgeven door `een wolk van smeerlapperij' laat Joe Klein in Primary Colors een senator zeggen tegen president Jack Stanton. `Een geluksvogel, zo ben ik ze nog niet eerder tegengekomen' zegt dezelfde senator in Kleins nieuwe boek, The Running Mate. En in American Rhapsody speelt een veelbesproken vitaal orgaan van Clinton, `Willard', een eigen fictieve bijrol. `Willard' componeert een rapsong, waarin hij terugkijkt op een bewogen leven met zijn baas.

Amerikaanse politiek, schrijft Joe Klein in The Running Mate, is de `jungle'. En de fictieve Bill Clinton overleeft er door zijn onverklaarbare geluk. Hij is, concludeert oud-CIA-medewerker Charles McCarry zuur in Lucky Bastard, een geboren leugenaar die telkens wordt betrapt maar ermee wegkomt. Sterker: zijn reputatie groeit naarmate de aanwijzingen toenemen voor gerommel met campagnegeld, (on)gewenste intimiteiten met vrouwen en stuntelige cover-ups. Stanton, Sheffield en Adams staan alle drie haaks op het beeld van de puriteinse Amerikaan: ze houden zich niet aan de spelregels, zijn niet Spartaans, en hebben zich niet zwoegend omhooggewerkt. Het leven lacht hen toe; en gaat het mis, dan zijn er altijd echtgenotes en medewerkers om de zaak recht te trekken. Ze zijn amoreel. Ze genieten van het spel en hun bedrevenheid in het spelen ervan. Ze dwingen het geluk af. En Bill Clinton, die is de luckiest bastard van allemaal.

Het is een van de aangename bijverschijnselen van het presidentschap van Bill Clinton: de wedergeboorte van de politieke roman. De laatste president die romanschrijvers volop inspireerde was Richard Nixon. In de satire Our Gang (1971) van Philip Roth werd hij belachelijk gemaakt als `Tricky Dixon', die zich met een footballhelm op in het Witte Huis verschanst. Bij een jongere generatie schrijvers bleef Nixon populair en werd hij ook steeds gunstiger afgeschilderd, als een bastion van patriottisme in een turbulente tijd. Hij is opgevoerd als oer-Amerikaanse underdog in NixonCarver van Mark Maxwell (1998), zijn presidentschap dient als decor voor een gezin in ontbinding in A Nixon Man door Michael Cahill (1998), en hij figureert in het verhaal `Vins Fins' van Ethan Canin, in The New Yorker (augustus 1999).

Gerald Ford, Jimmy Carter, Ronald Reagan en George Bush hebben het niet tot fictieve personages gebracht. Misschien lag dat voor de hand. Voor Ford, Carter en Bush gold dat hun persoonlijkheid te dor en hun presidentschap relatief onavontuurlijk was. Dat kan van Reagan niet worden beweerd. Wat zijn twee voorgangers en zijn opvolger misten, had hij in overvloed. Volgens oud-minister van Buitenlandse Zaken George Shultz maakte Reagan zijn eigen script van gebeurtenissen, om dat vervolgens voor de waarheid te houden. Een president die in zijn eigen fictie gelooft en er naar handelt: daar is voor schrijvers geen eer aan te behalen. Bovendien was hij als persoon innemend maar vlak: een man die geen vlieg kwaad deed en op een ontroerende manier leunde op zijn echtgenote Nancy. Bij Reagan geen tv-confessionals, geen Saturday night fever, geen mentale acrobatiek tussen de sleur van het Witte Huis en het verlangen naar het vertier van het woonwagenkamp.

Daarvoor was het wachten op Bill Clinton. Saai was het leven in zijn Witte Huis nooit, de afgelopen acht jaar. Gala-feesten met de president in een gastrol als saxofoonspeler, `vrienden' die in ruil voor een financiële bijdrage aan de verkiezingscampagne mochten komen logeren, een stagiaire die op haar wenken werd bediend; het was vaak vermakelijk, soms platvloers en het prikkelde altijd de collectieve verbeelding. Bij voormalig president Kennedy moesten geïnteresseerden – en wie was dat niet? – jaren wachten op pikante onthullingen. Clinton onderhield de bevolking toen hij nog president was met zijn even onstuimige als roekeloze gedrag. Dat wil zeggen: op het moment dat het er toe deed en hij tegen de lamp kon lopen. Toen dat gebeurde, na het amoureuze duet met Monica Lewinsky, bleek de meerderheid van de bevolking er niet vóór om hem af te zetten.

Vooral American Rhapsody van Joe Eszterhas sluit, door de vermenging van feit en fictie en de kruisbestuiving tussen Hollywood en Washington, mooi aan bij de tijdgeest. Het boek is de pendant van de populaire tv-serie West wing en een reeks films, van Wag the Dog tot en met Bullworth, waarin het politieke bedrijf als dynamisch en sexy wordt afgebeeld. Inhoudelijk interesseert het misschien nog maar weinig burgers wat politici in Washington onderling bekokstoven, maar als vermaak is het vak nog nooit zo populair geweest.

Eszterhas, scriptschrijver van de films Basic Instinct en Jagged Edge, was een van de vele Amerikanen die de Lewinsky-affaire van minuut tot minuut volgden. American Rhapsody is een verslag van zijn bevindingen, alsmede een openhartige reconstructie van zijn eigen jeugd. Dat gaat goed samen, want Clinton en Eszterhas zijn generatiegenoten. Ze werden, schrijft Eszterhas, al vroeg besmet met het virus van de rock and roll. Dat betekende in de praktijk: muziek en seks. American Rhapsody is met andere woorden een lofzang op het verloren Eden van de jaren zestig en zeventig. Strijd tegen de machthebbers, met name tegen de verpersoonlijking van het kwaad, Richard Nixon. Strijd voor de gelijke rechten van zwart en blank; Eszterhas schept op over het feit dat hij popster Jimi Hendrix en activist Stokely Carmichael tot zijn vrienden mocht rekenen. En vooral: eindeloze tochten in Amerikaanse convertibles, in het gezelschap van gewillige jonge vrouwen.

Eszterhas belandde in Hollywood, Clinton in het Witte Huis. Aanvankelijk was hij enthousiast over hetgeen zijn generatiegenoot en geestverwant had bereikt: eindelijk een van `ons' aan de macht. Maar Lewinsky zette hem aan het denken. Of beter: de schellen vielen hem van de ogen. Clinton leek verdacht veel op een type dat hij inmiddels maar al te goed kende: de Hollywood-tsaar. Zoals de bazen van de filmstudio's zich in `Blow Job City' tijdens hun dagelijkse herdersuurtje lieten bedienen door vrouwen met de ambitie filmster te worden, zo misbruikte Clinton volgens hem zijn positie van gouverneur en president voor de seksuele exploitatie van ondergeschikten. De onschuldige seks die Eszterhas zich meent te herinneren uit de jaren zestig, bleek een treurig machtsspelletje te zijn geworden.

American Rhapsody is zo vooral een ontnuchterend boek: wat ooit bevrijdend vermaak leek op de landwegen van de great American nowhere, ziet er dertig jaar later in Hollywood en Washington heel anders uit. Op z'n best is het overjarige hedonisme van vijftigers en zestigers volgens Eszterhas pathetisch; erger is dat bij Clinton de grens tussen seksueel genot en verkrachting – van Juanita Broaddrick, in Arkansas in 1978, een zaak die in de nadagen van de Lewinsky-affaire bekend werd en relatief weinig aandacht kreeg – flinterdun bleek. En in zijn gekonkel leek Clinton volgens Eszterhas verdacht veel op `de Handelaar in Duistere Zaakjes': `Wij hadden `onze' Richard Nixon niet. Onze generatie werd verbonden in het geloof dat wij geen geheimen hadden, dat de waarheid ons zou bevrijden, dat wij nooit een Richard Nixon zouden scheppen, een president die ons recht in de ogen keek, met een priemende vinger in ons gelaat, en zou liegen.' Nixon verzekerde de Amerikanen dat hij geen schurk was; Clinton vertelde met van woede trillende stem geen seks te hebben gehad met `die vrouw'. Nixon raakte in zijn leugens verstrikt. Clinton ontsprong de dans.

American Rhapsody is een opmerkelijk boek, omdat Eszterhas een genadeloze analyse geeft van het vermeende falen van zijn generatie. Het is daarmee nog niet een goed boek: de barokke structuur, gekoppeld aan ontboezemingen over actrice Sharon Stone, acteur Warren Beatty en andere sterren onder wie de schrijver zelf, leiden vooral af. Fictieve monologen van onder meer Hillary Clinton, Bob Dole en `Willard' zijn flauw of slaan de plank mis. De korte dialogen tussen Monica Lewinsky en Linda Tripp waarmee ieder hoofdstuk begint zijn losgezongen van enige betekenis. En de geschiedenis van de Lewinsky-affaire is bekend, langdradig en inspiratieloos opgeschreven.

Wel maakt American Rhapsody ondubbelzinnig duidelijk waarom nu juist Clinton de politieke roman nieuw leven heeft ingeblazen. De duistere kanten van zijn persoon, zijn provinciale afkomst, het voortdurende geritsel van geruchten over zijn verleden; Eszterhas raakte erdoor gefascineerd, en heeft geprobeerd de waarheid te achterhalen met een verslag waarin feit en fictie door elkaar lopen. Het resultaat valt tegen. Geen wonder dat anderen zich tot de fictie beperkten.

Face Time en The Running Mate zijn geschreven door politieke insiders. Klein is politiek verslaggever voor The New Yorker, Tarloff was tekstschrijver voor Clinton. Kleins The Running Mate is het beste van deze boeken. Jack Stanton, hoofdrolspeler in Primary Colors, is in The Running Mate naar het tweede plan verwezen. In plaats daarvan volgen we senator en Vietnamveteraan Charlie Martin, van zijn mislukte presidentscampagne in 1992 tot zijn nederlaag bij de tussentijdse verkiezingen in 1994. Martin is een politicus van de oude stempel. Hij maakt handig gebruik van zijn status als oorlogsheld. Collega-veteranen en ondernemers financieren zijn campagnes; de kiezers van zijn agrarische deelstaat paait hij met zijn kennis van landbouw en zijn patriottisme. Maar als hij in 1992 de sprong waagt naar het presidentschap heeft hij het tij tegen: het fenomeen Stanton staat hem in de weg. Zijn medewerkster Martha Schollwengen doet hem de das om. Op campagne in Colorado slaat het onheil toe. Martin, die in Vietnam een hand heeft verloren, raakt in de auto uit balans en komt op een onhandige manier in aanraking met Schollwengen. Ongewenste intimiteiten! De gevolgen laten zich raden: tumult, media-aandacht en een radeloze kandidaat.

Politiek in het tijdperk-Stanton is een oorlog van allen tegen allen. Idealen, partijen, coalities, vriendschappen en fatsoen zijn achterhaald. Er voor in de plaats zijn gekomen: blinde ambitie, manipulatie, verraad, het vernietigen van reputaties en het tomeloze zoeken naar de achilleshiel van de tegenstander. Heb je die eenmaal gevonden, dan is het zaak toe te happen en niet meer los te laten. Doe je er niet aan mee, heb je last van scrupules, dan deug je niet voor het vak. Een voorbeeld. Charlie Martin laat het politieke team dat hij heeft ingehuurd voor zijn campagne tegen Lee Butler, negatief onderzoek verrichten naar het verleden van zijn eigen vriendin. De specialisten gaan grondig te werk. Allerlei belastende feiten komen boven water: liefdesaffaires, drugsgebruik, politieke voorkeuren, desnoods van tientallen jaren geleden. De vriendin weet vanzelfsprekend van niets. De rechtvaardiging: als Martin niets had ondernomen, had Butler hem in een debat of in politieke reclamespotjes met het verleden van zijn vriendin kunnen confronteren. Nu is hij op een eventuele aanval van Butler voorbereid en kan hij die pareren.

Lucky Bastard is het product van een buitenstaander met een scherp ideologisch profiel. Charles McCarry werkte jarenlang voor de CIA. Daarnaast was hij ghostwriter van de memoires van oud NAVO-generaal en ex-minister van buitenlandse zaken onder Ronald Reagan, Alexander Haig. Lucky Bastard behoort tot de rabiate haatboeken over Clinton, en vertoont frappante overeenkomsten met het Starr-rapport over de Lewinsky-affaire. Er is dezelfde obsessie met het driftleven van de president, dezelfde combinatie van haat en jaloezie. Een representatieve scène vormt een gesprek tussen Adams en een KGB-agent, die hem klaarstoomt voor het presidentschap van Amerika. De Sovjetspion vraagt hem of hij van Amerika houdt. Adams antwoordt: `Nee, Doe ik niet. Ook nooit gedaan.' McCarry vervolgt: `En toen gebeurde er iets vreemds. Jack besefte dat hij voor de verandering de waarheid sprak. Hij hield in feite niet van Amerika. Hij gaf geen snars om datgene wat Amerikaanse zonen doorgaans liefhebben – niet om zijn grootouders, niet om zijn geboortedorp, niet om zijn school, niet om Columbia (de universiteit in New York waar hij studeerde; MdG), niet om de tientallen Amerikaanse meisjes die hij had geneukt, hij hield van niemand die hij had gekend.'

McCarry's boek stelt als roman weinig voor, maar als tijdsdocument is het interessant. Alle verwijten en kritiek die rechts Amerika de afgelopen jaren tegen Clinton heeft geformuleerd komen ruimschoots aan bod, met als kern dat hij – of John Adams – als kind van de jaren zestig en aanhanger van de internationale jeugdrevolte zijn vaderland onwaardig is. Het boek is daarnaast doordrenkt van een hard-boiled verlangen naar de Koude Oorlog. De woedende toon van het proza, de nauw verholen afgunst bij de beschrijving van de veroveringen van Adams; ze geven onbedoeld weer wat de schrijver en veel Republikeinen de afgelopen acht jaar hebben moeten doorstaan.

Even onbedoeld is waarschijnlijk het compliment dat McCarry Adams – of Clinton – maakt. Voor John Adams, schrijft hij, `komt de politiek rechtstreeks uit zijn onderbewustzijn, op dezelfde manier als opera's, en symfonieën zich openbaarden aan Mozart. (...) Hij hoeft er niet eens over na te denken. En hij vergist zich nooit. (...) In tegenstelling tot Mozart heeft hij geen Salieri. Jack heeft geen enkele vijand, nergens. De bevolking vergeeft hem alles.'

Dat Bill Clinton de afgelopen acht jaar geen vijanden heeft gehad, zal niemand beweren. Dat een groot deel van de bevolking hem zijn zonden heeft vergeven, staat vast. Een kwestie van geluk? In Joe Kleins Primary Colors merkt een medewerker over kandidaat Stanton op: `Hij hoeft nooit ergens de rekening voor te betalen. Zelfs als hij er toe bereid is. (...) Zelf ziet hij het als doorzettingsvermogen'.

Doorzettingsvermogen, dat zeker. Maar ook bedrevenheid. Stanton beheerst als geen ander de nuances van het politieke spel. Als Charlie Martin in The Running Mate tijdens de campagne van 1992 wordt geconfronteerd met de beschuldigingen van Martha Schollwengen, krijgt hij een telefoontje van Stanton. Heb je met haar... wil Stanton weten. Welnee, zegt Martin, ik heb alleen mijn hand op haar... `Ze heeft grote tieten, lijkt het', zegt Stanton, die haar op de televisie heeft gezien. `Dat kan ik over het algemeen afleiden aan de stand van de schouders, zelfs op foto's. Daar ben ik trots op.' `Oh, Christus, Jack', antwoordt Martin walgend. Stanton weet genoeg. Het was duidelijk, schrijft Klein droog, dat Stanton `Charlie Martin niet langer als concurrent beschouwde'. Geluk, zeker. Talent, ongetwijfeld. Maar vooral: een mengsel van roekeloosheid en schaamteloosheid. Clinton in fictie is politiek incorrect. En hij komt er opnieuw mee weg.

Joe Eszterhas: American Rhapsody. Knopf, 432 blz. ƒ65,55

Joe Klein: The Running Mate.

The Dial Press, 403 blz. ƒ65,55

Charles McCarry: Lucky Bastard. Random House (1998),

385 blz. ƒ63,60

Erik Tarloff: Face Time.

Pocket Books, 249 blz. ƒ33,55