Flessenpost uit Berlijn

Boeken doen aan boeken denken. Soms door het opduiken van een motief uit het ene boek in het andere, dan weer door de reprise van een thema dat elders al weerklonk. Met haar roman Pigafetta bewandelt de Berlijnse schrijfster Felicitas Hoppe (1960) wegen die een kleine eeuw eerder door de literaire Schöngeist Hermann Graf Keyserling zijn verkend. Net als Keyserling in zijn Reisetagebuch eines Philosophen beschrijft Hoppe een reis rond de wereld, en net als bij hem gaat het transport per schip. Dan is er, passend bij een traag reistempo, tijd voor gemijmer: `Beweegt het schip zich eigenlijk?', vraagt Hoppes heldin zich af. `Zeg ik niet: eilanden trekken voorbij? Dus staan wij stil, en beweegt om ons heen met een snelheid van achttien knopen de wereld, om af en toe het een of ander op te halen wat men zoal nodig kan hebben tijdens het verstrijken van de tijd.'

Het is een overweging van een niveau waarvoor de filosofisch aangelegde graaf zich zou hebben gegeneerd. Felicitas Hoppe echter bedrijft niet zozeer filosofie alswel psychologie: ze geeft aan dat de geestelijke en emotionele ontwikkeling van haar hoofdpersoon stagneert. Aan het eind van de reis is die nog steeds dezelfde als degene die in Hamburg het vrachtschip betrad: een vrouw zonder naam die het mysterie rond haar aanwezigheid in stand houdt door hoofdzakelijk als doorgeefluik voor bizarre gedachten te opereren. Zo fantaseert ze erover dat ze van de wereld valt wanneer ze de evenaar passeert. Of ze beweert dat een verstekeling zich door het metaal van de container heeft heengegeten. Dat ze portrettekeningen van de overige passagiers maakt is wrang, omdat ze tot een zelfportret niet te bewegen is. Het is alsof je urenlang naar iemand luistert zonder dat je ook maar een moment het gezicht te zien krijgt dat bij die stem hoort.

Wanneer deze eigenaardige kletsmajoor vertelt over tropische stormen waarin ze verzeild raakt, of over de piraten die het schip overvallen, is het net alsof haar observaties slechts dienen om haar gepraat een exotisch tintje te geven. Aan Keyserlings motto dat de kortste weg naar jezelf rond de hele wereld voert, laat Hoppes heldin zich niets gelegen liggen. Van meet af aan is zij waar ze wezen wil – net zo goed had ze thuis kunnen blijven om daar de notities te verzamelen die ze in de loop van de tijd heeft gemaakt.

`De woorden ritselen uit onze mond als zand en als zout', zegt ze ergens. Ik zag het beeld voor me van een vrouw die de scherven van een gebroken spiegel bijeen veegt. Tijdens het opruimwerk neemt ze een scherfje in de hand. Ach, wat flonkert het aardig in het zonlicht. Maar kijk, ook in de andere scherven aan haar voeten wordt het licht zo fascinerend gebroken. Elk scherfje bewaart ze en dat leidt tot het gestileerde breuk- en kraswerk dat Kappers in het gras, Hoppes vorige boek, eveneens vertroebelde (waarop de kritiek het de hemel in prees).

Door het geheimzinnige gebabbel zou het je kunnen ontgaan dat er wellicht toch een dieper doel aan de reis ten grondslag ligt. Misschien wil de `ik' nog onzichtbaarder worden dan zij al is. Misschien wil de vrouw verdwijnen. Ze hangt over de reling en peinst: `Starend naar de oceaan zoek ik naar sporen die wij op het wateroppervlak achterlaten. Maar daar is niets te zien. De weg die wij gekozen hebben, verdwijnt achter ons in het donker, alsof we er helemaal niet zijn geweest. De dood door verdwijning, zei de Tweede Officier, is de allerbeste, een dood die je aan land niet kunt vinden omdat je daar altijd gevonden wordt en niet kunt weten wat er te lezen zal staan op de gezichten van de mensen die ons tenslotte wel moeten vinden. Hier daarentegen kún je helemaal niet gevonden worden...'

Onvindbaar zijn en toch gehoord worden: dat betekent flessenpost. Hoe hoppiaans.

Felicitas Hoppe: Pigafetta.

Uit het Duits vertaald door Tinke Davids. Querido, 150 blz. ƒ29,90