Een ritje met de metro

Sneltram 50, richting Gein. Station RAI. Vijf zwarte meiden, type wie doet ons wat, stappen schreeuwlelijkend in. In hun ogen brandt minachting en haat. Vermoedelijke oorzaak: chronisch gebrek aan liefde en aandacht in hun nog jonge leven: een valse start. Wat ze aan aandacht tekort gekomen zijn, misschien geldt dit maar voor één van hen, eisen ze nu, als horde, voor zich op. Iemand zal de rekening gepresenteerd krijgen!

Gretig zoekt het stel een slachtoffer. De ongelukkige is een vrouw van een jaar of vijfentwintig, met lang, hoogblond haar. Dit is haar aan te rekenen, dit is haar fout. Zonder vorm van proces wordt ze aangevallen. Eerst nog verbaal, vuilbekkend. Al snel valt de eerste klap. De vrouw krimpt ineen, doodsbang. Dat maakt de hyena's geiler. Ze storten zich op haar golvende lokken. Die worden er bij bosjes uitgerukt. Een aansteker komt tevoorschijn. De stank van brandend haar verspreidt zich door het treinstel.

Haar buurvrouw probeert tussenbeide te komen. Alsof ze erop gewacht hebben. Met een welgemikte vuistslag in het gezicht wordt zij tegen de grond geslagen, uitgeschakeld. De rest van de reizigers, waaronder uit de kluiten gewassen mannen, ziet in verbijstering toe. Er wordt nog geen mobieltje getrokken om hulp in te roepen. Het brute stel zou het niet eens merken.

Ze smijten nu de inhoud van de hand- en boodschappentas van de ongelukkige over de vloer van het treinstel, gaan er dan op dansen. Het is nog niet genoeg. De vrouw wordt uit haar stoel gesleept. Geslagen en geschopt.

De metro is nu op het volgende station gearriveerd. De vrouw is er ernstig aan toe. Er ontstaat wat gedrang als het vijftal het hazenpad wil kiezen. Maar niet méér dan dat. Het stel wordt namelijk ridderlijk in bescherming genomen door enkele galante heren. Die roepen dat die `blonde kut' zich niet zo aan moet stellen. En wèg zijn ze.

    • Cor van der Wijk