De zondagse werkelijkheid

Opeens zijn er in het Westen honderden portretten bekend van Afrikanen, gemaakt door Afrikanen in de jaren veertig, vijftig, zestig en zeventig.

Op een avond eind jaren vijftig vond in de Malinese stad Bamako een gevecht plaats tussen twee fotografen. Ze wilden allebei foto's maken op een receptie in een groot hotel. Voor de ingang probeerden ze elkaar met flitslicht te verblinden. De ene fotograaf heette Abdourahmane Sakaly. De andere, Gérard Guillat, stond bekend als `Geegee the film'.

Het is een anekdote die een contrast vormt met een van de bekendste verhalen over fotografie in Afrika. Het is een idée reçue dat veel Afrikanen, net als andere bewoners van de derde wereld, bang zijn dat een fotograaf in zijn toverkastje niet alleen hun beeltenis, maar ook hun ziel zal kunnen vast leggen.

De Malinese fotograaf Seydou Keïta, een collega van Sakaly en Geegee, zegt iets over het zielenvangen in een aan hem gewijd boek, dat in 1997 verscheen. Volgens Keïta dachten sommige mensen niet alleen dat de camera hun ziel kon vangen, wat tot de dood zou leiden, maar ook dat het toestel door hun kleren heen kon kijken. Keïta's remedie was simpel: ,,Ik liet hen naar mijn studio komen, en als ze eenmaal door de lens hadden gekeken, waren ze gerustgesteld.''

Toch lijkt het, als je nu oude foto's van Afrikanen bekijkt, wel eens of de geportretteerden wel degelijk iets is afgenomen; misschien niet hun ziel, maar wel hun individualiteit of hun zelfrespect. Talloos zijn de ansichtkaarten uit het begin van de vorige eeuw waarop mensen als types worden afgebeeld, de vrouwen in erotische poses met, vaak op verzoek van de fotograaf, ontbloot bovenlijf, de mannen zo bij elkaar, dat van de ene het profiel en van de ander het vooraanzicht is te zien. Jeune fille Wolof, luidt het onderschrift, of Groupe d'hommes Warua. Op een ansichtkaart van vier vrouwen met baby's schreef de verzender als commentaar: `Vaches avec leurs veaux', koeien met hun kalveren.

Van de koloniale werkelijkheid is op dit soort foto's weinig te zien. De gekoloniseerden zijn meestal gefotografeerd alsof er geen kolonisatoren waren. Het lijkt wel alsof de westerlingen alleen naar Afrika hebben gekéken. Ingegrepen hebben ze niet. De fotografen suggereren dat hun onderwerp net zo goed in 1622 als in 1922 gekiekt had kunnen worden. Zij waren slechts even aanwezig op een continent zonder geschiedenis.

Nog steeds lijkt het hier of Afrikanen zich vooral làten fotograferen, door toeristen op zoek naar een gezicht net zo authentiek anders als een masker, door journalisten die honger, oorlog en aids in beeld brengen.

Bloem

Het zijn dingen die je pas beseft als je het tegendeel hebt gezien. Foto's van Afrikanen door Afrikanen. Foto's van nu, maar vooral foto's van vroeger. Zwart-wit foto's van een, twee, drie of veel mannen, vrouwen en kinderen. Pas als je ze ziet, weet je dat je zoiets nog nooit hebt gezien.

Twee vrouwen in precies dezelfde jurken, met dezelfde hoofddoeken op en kettingen om, zitten naast elkaar op stoelen die door hun jurken onzichtbaar zijn. De een houdt een zoon op schoot, op de ander leunt een dochter. Ze poseren voor een grijs, geplooid gordijn. Een jongeman in een wit pak met een enorme bril op zit verlegen trots te zijn vlak voor een gebloemde achtergrond. Met zijn rechterhand houdt hij een bloem vast. Een forse militair met lidtekentatoeages op zijn gezicht zit op een stoeltje uit het Parc du Luxembourg. Twee mannen staan aan weerskanten van een stoel waarop ze allebei een voet hebben gezet. Tussen de twee gepoetste schoenen staat een vaasje met kunstbloemen. Twee andere mannen poseren met schalen. Ernstig laten ze het gebloemde porselein op hun vingers rusten. Een vrouw leunt op een radio.

Opeens zijn er in het Westen honderden portretten van Afrikanen uit de jaren veertig, vijftig, zestig en zeventig bekend. De meeste komen uit de Franse koloniën in West-Afrika, die omstreeks 1960 onafhankelijk werden. Het best vertegenwoordigd is Bamako, de hoofdstad van Soedan/Mali aan de oever van de Niger. Het kan zijn dat er in Bamako, waar omstreeks 1960 ongeveer 100.000 mensen woonden, meer studio's waren dan in andere West-Afrikaanse steden. Het kan ook zijn dat er in deze stad tot nu toe het best gezocht is.

Bamako werd na de Tweede Wereldoorlog snel gemoderniseerd. Er waren een grote markt, een bioscoop, een dierentuin en een station. De fotostudio's hoorden daarbij. Een portret laten maken was een teken van moderniteit. Bijna iedereen liet zich fotograferen: ambtenaren, winkeliers en in de studio van Keïta zelfs de eerste president van het in 1960 onafhankelijk geworden Mali. Dorpelingen lieten een portret maken ten bewijze dat ze in de stad waren geweest. Ze konden er als ze wilden poseren in door de fotograaf geleverde westerse kleren, of met een plastic bloem, een telefoon, een scooter, een wekker of een ander ding dat toen in Bamako nog nieuw was.

De foto's uit Bamako brengen je niet alleen terug naar het Bamako van toen, maar ook naar Hollywood en Parijs in diezelfde tijd, en naar het Europa van 1900.

Formeel doen de foto's denken aan westerse portretten van omstreeks de eeuwwisseling. De mensen zijn recht van voren gefotografeerd voor een achtergronddoek en ze zitten er stijf en zelfbewust bij, in bevroren poses die van foto tot foto weinig verschillen. Ze lachen bijna nooit.

Het studioportret werd in het Westen na de oorlog verdrongen door het kiekje. In Mali kwam het genre pas na de oorlog tot bloei en verdween het pas in de jaren tachtig. Veel fotografen konden toen de concurrentie van de goedkopere en simpeler kleurenfotografie niet meer aan en sloten hun deuren.

Dit tijdsverschil met een economische oorzaak heeft onverwachte effecten. Het zorgt ervoor dat een foto van een vrouw uit Bamako uit 1960 meer op een oud westers portret kan lijken dan een westerse foto uit de jaren zestig. Nederlandse vrouwen uit de jaren tien hebben soms meer gemeen met Bamakoises uit de jaren zestig dan met hun eigen dochter uit die tijd.

Eddie Constantine

Parijs en Hollywood zijn in Bamako aanwezig in de vorm van kleding en andere attributen. De jongemannen op de foto's van Seydou Keïta en Malick Sidibé zijn vaak onberispelijk gekleed volgens allerlei laatste modes; zij hadden de kleding van de fotografen niet nodig om modern te zijn. Hun voorbeelden waren zowel Amerikaanse als Franse filmsterren en zangers. In de jaren vijftig probeerden velen te lijken op Eddie Constantine. Eind jaren zestig waren het James Brown en Malcolm X. De mannen waren verenigd in clubs met namen als Al Capone, Quartier Latin, Les Djentlemanes en Les Supremes. De jongeman in het witte pak met de bloem was misschien lid van La Fleur de Paris, een club vernoemd naar een bekend chanson uit die tijd.

De kleding van de vrouwen oogt traditioneler, maar bevat, voor westerse ogen verborgen, modieuze verwijzingen. Veel vrouwen droegen in de jaren veertig en vijftig hun hoofddoek schuin op het hoofd. Deze stijl heette à la mode De Gaulle, en verwees naar de manier waarop de Franse generaal zijn kepi droeg.

Tot Seydou Keïta's mooiste foto's behoren die van groepjes vrouwen die dezelfde kleding dragen. De bonte patronen van hun jurken en hoofddoeken raken in gevecht met het patroon van het achtergronddoek doek of vloeien er juist in over. Grote delen van de foto's verliezen er hun perspectief door; het worden platte vlakken waar de gezichten van de vrouwen sterk uit naar voren komen. Om deze foto's is Keita's werk wel vergeleken met Afrikaanse muziek, die door polyritmiek wordt gekenmerkt. Keïta maakt zelf niet zoveel misbaar over zijn achtergronden. De eerste was de sprei van zijn bed. Hij verving zijn doeken om de paar jaar. ,,Soms ging de achtergrond goed samen met hun kleren'', zegt hij in de aan hem gewijde monografie, ,,maar het was allemaal toevallig.''

Met Afrikaanse beeldende kunst worden de foto's niet zo vaak vergeleken. De traditionele Afrikaanse beeldende kunst kent ook geen portrettraditie. Sommige kenners beweren dat de studioportretten eigenlijk geen portretten zijn, maar ideaalbeelden en daardoor wel bij de Afrikaanse beeldende kunst zouden horen. Maar je kunt hetzelfde over Westerse studioportretten zeggen. Ook daarin wordt een zondagse versie van de werkelijkheid gepresenteerd.

In Bamako werden veel opnames zwaar geretoucheerd om beter aan het ideaalbeeld te kunnen voldoen. Op veel foto's van vrouwen en kinderen zijn na afloop met dikke zwarte lijnen wenkbrauwen getekend, die soms tot op de wang doorlopen. Tegenover deze hang naar perfectie staat weer dat op veel van Keïta's foto's volmondig wordt toegegeven dat het decor een decor is. Vaak is de lemen muur naast of boven het achtergronddoek te zien. Hetzelfde gebeurt op de recente foto's van Philip Kwame Apagya uit Ghana. Om het studioportret nieuw leven in te blazen, gebruikt Apagya zeer realistische geschilderde achtergronddoeken, waarop bijvoorbeeld een keuken met grote koelkast of een woonkamer met wandameublement is te zien. Vaak doen de geportretteerden of ze de geschilderde televisie aanzetten of een geschilderde mango uit de openstaande ijskast pakken. Maar ook hier wordt de illusie bijna altijd verstoord doordat het kader breder is dan het doek en ook een stukje van de studiomuur of -vloer laat zien. Het is alsof de geportretteerden met die reepjes vloer en muur een knipoog geven.

Overdaad

De huidige overdaad aan West-Afrikaanse portretten in het Westen is te danken aan drie foto's. Ze hingen in 1991 op een grote tentoonstelling over Afrikaanse kunst in de twintigste eeuw in New York. Het waren drie foto's uit de jaren vijftig van een toen nog anonieme fotograaf uit Bamako. De foto's werden gezien door André Magnin, een Franse tentoonstellingsmaker die je de Ry Cooder van de beeldende kunst zou kunnen noemen. Ry Cooder is verantwoordelijk voor de herontdekking van Cubaanse musici uit de jaren vijftig in het Westen, verenigd onder de naam Buena Vista Social Club. Magnin zoekt in Afrika naar vergeten beeldend talent. Op een van zijn reizen door Afrika nam Magnin een afdruk van de drie anonieme foto's mee naar Bamako. Hij kwam terecht in de winkel waar Malick Sidibé na de sluiting van zijn studio camera's repareert. Sidibé wist meteen wie de foto's gemaakt had: Seydou Keïta, die in de jaren vijftig en zestig de beroemdste fotograaf van Bamako was geweest. Begin jaren zestig sloot hij zijn studio om de officiële fotograaf van de Malinese regering te worden. De foto die hij in die hoedanigheid maakte, bevinden zich nog in de staatsarchieven. Pas later kwam Magnin erachter dat Sidibé zelf ook een beroemde fotograaf was geweest. Sidibé maakte niet alleen portretten in zijn studio, hij ging ook vaak naar de feesten die Malinese jongeren organiseerden. De dag na het feest waren de foto's in zijn winkel te koop.

Magnin heeft de foto's van Keïta en Sidibé en hun collega's in het Westen onder de aandacht gebracht. Het succes van zijn ontdekking heeft ook in Bamako zijn beslag gekregen. In de Malinese hoofdstad bestaat sinds 1994 een Afrikaanse fotografie-biënnale.

Er is ook kritiek op Magnins werkwijze. Hij was onder meer een van de samenstellers van de beruchte expositie Magiciens de la Terre (1989), en beheert de collectie van Jean-Christophe Pigozzi, een van de grootste verzamelaars van hedendaagse kunst uit Afrika. Pigozzi en Magnin hebben een voorkeur voor ongeschoolde kunstenaars, `spontane genieën' die geen westers georienteerd onderwijs hebben genoten. Uit de manier waarop Magnin Keïta in de monografie aan het woord laat spreekt een soort neerbuigende bewondering. Keïta zou intuïtief de kunst van het portretteren opnieuw hebben uitgevonden.

De West-Afrikaanse studiofotografie heeft in het Westen nog geen vaste plaats gevonden. De portretten hangen zowel in galeries en musea voor moderne kunst als in etnografische musea. In het ene geval worden ze beschouwd als kunst, in het andere als cultuur. Het is een lot dat de foto's met oudere Afrikaanse maskers en beelden delen. In welke omgeving ze het best tot hun recht komen zal nog lang onduidelijk blijven.

Malick Sidibé maakte in de jaren zeventig ook wel eens foto's van een zondagse picknick aan de oevers van de Niger. Eén foto van een zondag in 1976 steekt boven alle andere uit. Het is een foto van een groep jongeren in de rivier. Lucht en water gaan in elkaar over, op de achtergrond is een smalle streep land en een brug te zien. Tien hoofden vol plezier steken boven het water uit. Een meisje heeft ook haar tenen boven water gestoken. Ze hangt in de armen van een vriend. Een jongen proest een slok water uit, die als witte streepjes voor twee zwarte gezichten hangt. Het is een foto die nergens aan doet denken. Alles is tot rust gekomen, staat stil, hoeft niet meer verder. Het is een foto als een boeddha.

`Snap Me One! Afrikaanse studiofotografie 1950-2000'. Tropenmuseum, Amsterdam, t/m 12 november. Catalogus, 143 blz,

uitg. Prestel. Prijs ƒ120.

Seydou Keïta. Uitg. Scalo, 286 blz.

Prijs ƒ140,35.

Malick Sidibé. Uitg. Scalo, 182 blz.

Prijs ƒ135,70

Sommige mensen dachten dat de camera door hun kleren heen kon kijken

De foto's brengen je terug naar het Bamako van toen en naar Hollywood en Parijs

    • Bianca Stigter