De tweehonderd van

. Zijn naam is onlosmakelijk verbonden met een begrip: de tweehonderd van Mertens. De eergisteren overleden Jan Mertens (84) wordt er al meer dan een kwart eeuw mee geassocieerd.

Een kleine kring van tweehonderd personen in Nederland heeft de economische macht in handen, zei Mertens, toen voorzitter van het Nederlands Katholiek Vakverbond, in 1968. Wat hij constateerde was een ,,opeenhoping van commissariaten'' bij een beperkte groep mensen, waarop geen publieke controle mogelijk was.

,,Het is een evenzo deskundige, financieel sterke, als beangstigende groep (...) Grote ondernemingen zijn door het lijnenspel in staat een niet gering deel van het nationale beleid te bepalen en invloed uit te oefenen op de loon- en werkgelegenheidspolitiek'', zo constateerde de voorzitter van het NKV.

Zijn woorden waren meer dan een signaal, ze waren ook een aanklacht en ze werden gedaan in een periode dat op veel terreinen in de Nederlandse samenleving openbaarheid werd nagestreefd. Wat hij bereikte was een publiek debat zonder dat de economische machtsverhoudingen zich direct wijzigden. Sommigen deelden hemzelf ook in bij de groep van machtshebbers. Maar wel één die dag aan dag verantwoording aflegde aan zijn achterban, zo verdedigde hij zich.

P.J.J. Mertens (Heerlen, 1916) was 34 jaar actief in de katholieke vakbeweging en geheel gevormd binnen de katholieke zuil. Als voorzitter van het NKV was hij typisch een man van het midden, veel minder radicaal dan zijn tegenvoeter André Kloos, de toenmalige voorzitter van het NVV. Mertens mocht soms scherp spreken, zijn handelen was steeds ingegeven door de wetenschap dat hij een pluriforme achterban bijeen moest houden.

Hij botste soms binnen de katholieke zuil, maar brak er niet uit. Bij de val van het rooms-rode kabinet-Cals in 1966 dreigde hij de KVP te verlaten. Mertens stapte wel uit het partijbestuur, maar volgde niet de radicalen die later de PPR vormden. Onder het kabinet-Den Uyl werd hij in de nadagen van zijn maatschappelijke carrière nog politicus. Als staatssecretaris van Sociale Zaken speelde hij, kenner van de sociale verzekeringen, echter een onopvallende rol.