De Basilisk, de reuzenslang

In de tovenaarswereld van Harry Potter komen veel magische dieren voor. Hebben die fabeldieren ook in de Dreuzelwereld gewoond? Frans van der Helm zocht voor het Potterhoekje in honderden jaren oude beestenboeken.

Het is alsof er iemand plotseling het licht heeft aangedaan in Harry Potter's brein. ,,Ron'', fluistert hij in HP2, Harry Potter en de Geheime Kamer, ,,Dit is het! Dit is het antwoord. Het monster uit de Kamer is een Basilisk – een reusachtige slang.'' En Harry vervolgt: ,,De Basilisk doodt mensen door hen aan te kijken. Maar er is nog niemand doodgegaan – omdat niemand recht in zijn ogen heeft gekeken.''

Rons mond zakt open. En terecht. De Basilisk is niet zomaar een tegenstander. Hij was vroeger ook in de niet-magische wereld berucht. De Basilisk was nog tot ver in de Middeleeuwen de Koning der slangen. Hij kon niet alleen met zijn blik doden. Hij had nog veel meer in huis. Hij rook niet lekker. Hij stonk. ,,Mensen die hem zien, rennen voor hun leven, omdat hij alleen al met zijn geur kan doden'', schreef een monnik bijna duizend jaar geleden in een Engels klooster (de abdij van Revesby) in een oud beestenboek, een Bestiarium. Wat Harry Potter nu weet, wisten ze toen al. ,,Zelfs als hij alleen maar naar een mens kijkt, vernietigt hij die,'' schreef de monnik bij een olielampje, op een stuk perkament.

Vogels hadden het volgens de monnik ook niet makkelijk, als die reuzenslang zijn kop uit zijn hol stak. Want de Basilisk had ook nog een brandende adem. Een passerende vogel kon, alleen al als hij zo'n Basilisk zag, niet meer verder vliegen. ,,Hij mag dan nog zo ver zijn van de mond van het schepsel, maar hij krult op, raakt gebraden en wordt verslonden.''

Met mensen konden sommigen basilisken dat ook. Maar hun blik was toch het gevaarlijkst – je moest echt niet in de ogen kijken. Toch hebben sommige mensen Basilisken goed bekeken. De Basilisk was over zijn hele reusachtige lijf gestreept – `met witte tekens van vijftien centimeter groot'.

Basilisken waren niet zeldzaam, maar ze leefden wel altijd op verlaten en afgelegen plekken. Ze waren de schrik van eenzame wandelaars en reizigers. Kijk, wat zie ik da.. Niet kijken! Te laat.

Kon je niets tegen een Basilisk doen? Jazeker, en dat was nog simpel ook, als je het eenmaal wist. Basilisken waren doodsbang voor wezels. Die roofdiertjes keken die slang niet aan, maar sprongen hem gewoon naar de keel. Ik denk dat die hete adem ze daar ook niet kon bereiken. ,,Mensen stoppen wezels in de holen waarin ze verscholen liggen. Bij het zien van de wezel, vlucht de basilisk weg. De wezel volgt hem en doodt hem,'' wist de monnik van Revesby. Een wezel! Zo'n klein roofdiertje dat ook in Nederland en Engeland rondloopt, ook al zie je het haast nooit. Had Harry het maar geweten. (Dan had-ie Ron kunnen inzetten: die heet in de Engelse boeken Ron Weasel, dus Wezel van achter). Ook Hermelien was het, met haar studiehoofd, zeker nog niet tegengekomen in de oude boeken. Hagrid had vast wel een wezel voor ze gehad.

Of Basilisken nog bestaan, of ooit bestonden? Wie weet. Maar de oude Koning van de Serpenten (slangen) heeft veel onderdanen die je veel vaker ziet. Gewone slangen. Die sissen – en dat lijkt nog wel een beetje op die hete adem van sommige Basilisken, die natuurlijk als stoom ontsnapte. Ook van kleine slangen zeggen mensen wel dat ze hun prooi verlammen, gewoon door die aan te kijken. Als dieren – en mensen – opeens zien dat een slang ze van dichtbij roerloos aanstaart, worden ze daar ook roerloos van. Ze weten eigenlijk niet wat ze moeten doen. Vluchten? Of doen alsof ze er niet zijn? De zenuwen gieren ze door de keel, en ze gaan geen kant op. Soms vallen ze dan flauw. En kleine dieren krijgen zelfs wel een hartaanvalletje. Ze blijven dood liggen, terwijl die slang ze niet eens heeft aangeraakt. Hij kéék alleen maar. Kun je nagaan wat een enorme grote slang kan doen. Zo een van twaalf meter lang, met ogen als schoteltjes – nee, soepborden.

    • Frans van der Helm