Belgische vrouwen drinken bier

De Grote Oorlog is vooral groot in het buitenland. In Nederland herinnert vrijwel niets meer aan de Eerste Wereldoorlog. Hij lijkt bijna ongemerkt langs Nederland te zijn geraasd. Natuurlijk, de langdurige mobilisatie, handelsblokkade en voedselrantsoenering deden de Nederlanders voelen dat er een oorlog gaande was, maar diepe sporen hebben ze niet achtergelaten. Het meest tastbare effect van de nabije strijd was de aanwezigheid van honderdduizenden vluchtelingen die in Nederland een veilig heenkomen zochten.

Oorlogsgasten vertelt nauwgezet het verhaal van de vluchtelingen en hun opvang in Nederland. Evelyn de Roodt bracht bijeen wat er over de vluchtelingen en vooral de opvangkampen te vinden was, waaronder een grote hoeveelheid schitterend fotomateriaal. Het belang van deze geschiedenis ligt natuurlijk in de uitzonderlijke omvang van de operatie. Nooit tevoren of nadien heeft Nederland in zo korte tijd zo'n grote vluchtelingenstroom te verwerken gekregen. Binnen enkele maanden na het begin van de oorlog in augustus 1914 kwamen een miljoen vluchtelingen naar Nederland. Verreweg de meesten waren Belgen. Vooral in oktober, toen Antwerpen onder Duits vuur lag, stroomden lange kolonnes het land binnen.

Verwonderlijk is de volslagen afwezigheid van elke discussie in Nederland of de zuidelijke hordes toegelaten moesten worden of niet. De moderne volksverhuizing was nog niet op gang gekomen, Nederland was nog niet vol en de grenzen stonden open voor ieder die een paspoort en voldoende middelen van bestaan had. Zo stond het in de Vreemdelingenwet van 1849 en zo werd het nog steeds toegepast.

Die miljoen Belgen bleven niet allemaal in Nederland. De meesten keerden na de eerste weken terug naar België. Tot het einde van de oorlog bleven nog ongeveer honderdduizend Belgen in Nederland – overigens veel minder dan in Engeland en Frankrijk. Zij werden aanvankelijk opgevangen in de meest merkwaardige en weinig comfortabele onderkomens. In Bergen op Zoom en Hontenisse in Zeeuws-Vlaanderen verrezen tentenkampen, die ook toen al weinig geschikt werden geacht voor de opvang van vluchtelingen en zo spoedig mogelijk werden opgeheven. In Gouda werden de Belgen in kassen ondergebracht en in Amsterdam kwamen vierduizend vluchtelingen in havenloodsen terecht. Dit laatste onderkomen was zo primitief dat het in november 1914 al werd ontruimd. Veel inwoners vertrokken naar het nieuwe `vluchtoord' in Nunspeet, een van de grote barakkenkampen die in snel tempo waren opgebouwd. De kampen waren bedoeld voor de opvang van behoeftigen en minder fatsoenlijke lieden, zoals smokkelaars, oplichters en prostituees. De vluchtoorden hadden een slechte naam, en wie geld of inkomsten had, probeerde er uit te blijven. Behalve de burgers waren er ongeveer 32.000 militairen die het oorlogs- en vooral het loopgravengeweld waren ontvlucht.

Veel Nederlanders stonden gedurende de eerste maanden van de oorlog klaar om de gevluchte Belgen op te vangen. Er werden hulpcomités opgericht om de ontheemden op te vangen en duizenden gezinnen gaven onderdak aan vluchtelingen. De kranten stonden bol van de trots op het goede Nederlandse nabuurschap. Hoe belangeloos de Nederlanders hulp boden, is de vraag. Er zal toch vaak voor kost en inwoning zijn betaald. Ook veroorzaakten de vluchtelingen de nodige spanningen. Omdat ze mochten werken – ze werden er zelfs toe aangemoedigd – dreigden ze Nederlanders op de arbeidsmarkt te verdringen.

Een andere bron van zorg was de zedelijkheid. De halve Antwerpse samenleving had zich naar Nederlands grondgebied verplaatst, haar schaduwkanten inbegrepen. Dat Belgische vrouwen bier dronken, was tot daar aan toe. Maar grote aantallen prostituees sprongen in de bressen van de verscheurde gezinnen. In de soldatenbarakken gebeurden nog onoorbaarder dingen; en hongerige militairen lonkten naar de meisjes van Bergen, Harderwijk, Zeist en de andere kampplaatsen. Vermoedelijk bleef het in de meeste gevallen bij een kortstondige oorlogsliefde, maar in het Friese Gaasterland trouwden ten minste zestien Belgische soldaten met een bruid uit de buurt.

Hoeveel oorlogsgasten in Nederland zijn gebleven, is niet bekend. Na vier jaar internering, ontvluchting, steunverlening en diplomatiek spitsroeden lopen was Nederland de vluchtelingen liever kwijt. Zo spoedig mogelijk na de wapenstilstand van 11 november 1918 werden ze dan ook gerepatrieerd. Na de oorlog werden keurige rekeningen opgesteld voor de internering en verzorging van de militairen. Voor België kwam dit neer op 53 miljoen gulden, een nota die pas vlak voor de volgende oorlog zou zijn afbetaald.

Oorlogsgasten biedt een nauwkeurig overzicht van alle vluchtelingenstromen die Nederland tijdens en vlak na de oorlog bereikten en verlieten. Dat is veel, te veel zelfs. Er zijn natuurlijk mensen die het fijn vinden dat `alles op een rij staat', maar zonder enige zingeving blijven de feiten kralen aan een eindeloze ketting. In handen van De Roodt is de geschiedenis teruggebracht tot een filatelistische bezigheid, nauwgezet maar met weinig fantasie en nog minder analyse. Je kan je ook afvragen of Oorlogsgasten wel het verhaal vertelt dat het belooft. Bijna alle aandacht gaat uit naar de vluchtelingen in de opvang- en interneringskampen, terwijl verreweg de meesten bij particulieren verbleven. Bovendien is er te weinig te lezen over de wederwaardigheden van de asielzoekers. Deze perspectivische scheefgroei is te herleiden tot de bronnen: krantenberichten en officiële correspondentie staan garant voor een sterk gouvernementeel perspectief. Toch moeten de kampen massa's brieven en dagboeken hebben opgeleverd die ons meer hadden kunnen vertellen over het leven in en buiten de kampen. Maar de vluchtelingen blijven sprakeloos.

Vele vragen blijven onbeantwoord, of erger: ze worden niet eens gesteld. Zo blijft de landelijke coördinatie van de vluchtelingenopvang volkomen duister. Er zou ook veel interessants te melden zijn over de effecten op het Nederlandse vreemdelingenbeleid. In feite markeerde de Eerste Wereldoorlog het einde van het oude liberale toelatingsbeleid. In juni 1918 werd een nieuwe vreemdelingenwet van kracht die uitzetting, internering en registratie als mogelijke instrumenten van het vreemdelingenbeleid en die feitelijk een einde maakte aan het idee van een vrij grensverkeer. De wet kwam tot stand onder de vrees voor de revolutionaire geest die over Rusland en Duitsland vaardig werd.

In de praktijk keerde het Nederlandse toelatingsbeleid spoedig terug naar de vooroorlogse situatie. Maar de angst bleef en zou in de jaren dertig onder invloed van crisis en dreigende volksverhuizingen leiden tot sluiting van de landsgrenzen. De vreemdeling was geen potentiële zwerver of misdadiger meer, hij werd revolutionair, cultuurbedreiger en broodrover tegen wie Nederland beschermd moest worden.

Evelyn de Roodt: Oorlogsgasten. Vluchtelingen en krijgsgevangenen in Nederland tijdens de Eerste Wereldoorlog. Europese Bibliotheek, 464 blz. ƒ49,-

    • Remco Raben