Trou Moet Blycken

Die Wete

Met haar en al by my was ek alleen:

Die stilte wakend oor my nag se nood,

Die groet my wekkend met die oggendrood,

Was nooit vir my soos dinge om my heen;

Die hand vir myne, vir my hoof die skoot,

Was maar my deel vir lewe en vir dood

'n Deel van my, want ek en sy was een.

Ek was alleen, self alles, niks was sy,

Te ná vir 'n bekende of 'n maat,

Nie eens 'n ander nie 'n eie een,

My deel tot aan die dood. En toe kom hy...

En kies nie my nie maar vir haar. Te laat

Weet ek ek was nie, maar ek is, alleen.

C.J. Langenhoven (1873-1932)

`De Dichter des Vaderlands van het oude Zuid-Afrika', zo werd C.J. Langenhoven onlangs door Henk van Woerden genoemd, in een fraai verslag van zijn bezoek aan Oudtshoorn, de plek waar C.J. Langenhoven werkte en stierf. Ik bezocht daar hetzelfde festival als Henk van Woerden vandaar de knipoog. Tenminste, ik hoop maar dat het een knipoog was, dat `Dichter des Vaderlands', want C.J. Langenhoven was niet meteen een vooraanstaand poëet. Zijn epitheton verdiende hij misschien een beetje omdat hij het beroemdste Zuid-Afrikaanse gedicht van de eeuw schreef, Die Stem van Suid-Afrika, `dat onder het apartheidsbewind 's lands volkslied zou worden' (opnieuw Henk van Woerden). J.C. Kannemeyer noemt dit in zijn Geskiedenis van die Afrikaanse literatuur `as enkele gedig Langenhoven se geslaagdste werk' en het is ook de enige bijdrage van Langenhoven die D.J. Opperman in zijn Groot verseboek opnam. In feite is het een strontvervelend en gruwelijk onding, waarin beweerd wordt dat de roepstem `van ons geliefde, van ons land Suid-Afrika' altijd zal lokken en altijd zal blijven klinken, in zomer en winter, in lente- en rouwtijd –

By die klink van huw'liksklokkies, by die kluitklap op die kis

– en altijd, altijd zal het antwoord luiden: `Ja ons kom, Suid-Afrika'. Het erf der vaderen, het gekreun van de ossenwagen en de Almacht van de Allerhoogste, alle ingrediënten van een waarachtig vaderlands gedicht komen erin voor en het eindigt met

Soos ons vadere vertrou het, leer ook ons vertrou, o Heer:

Met ons land en met ons nasie sal dit wel wees, God regeer

– het is verleidelijk uit deze draak te blijven citeren. Met poëzie heeft het weinig of niets te maken.

Langenhoven is in de eerste plaats prozaïst. Hij was de man `die zijn volk leerde lezen'. De volksschrijver bij uitstek. Zijn huis in Oudtshoorn, met de toepasselijke naam Arbeidsgenot (`De arbeid voor mijn vrouw, het genot voor mij'), is nog steeds een soort bedevaartsoord. Hij was een veelschrijver ook. Op het gebied van de poëzie betekende dat een wilde mengeling van rijmpjes, limericks en spreuken, met af en toe ook iets ernstigs. In deze ernstige gedichten `mymer hy oor die raaisels van die lewe', zegt dezelfde Kannemeyer op licht vermanende toon, een typering die hij uit de veertig jaar oudere Afrikaanse literatuurgeskiedenis van G. Dekker moet hebben onthouden, want daar stond over Langenhoven ook al: een `enkele keer mymer hy oor die raaisels van die lewe'.

Over Langenhovens dichterschap wordt in koor neerbuigend en wegwuiverig gedaan. Toch zou het curieus zijn als er bij zo'n veelzijdig en bij vlagen pakkend schrijver niet één behoorlijk gedicht te vinden zou zijn. Dit Die Wete is, diep verscholen in zijn volumineus verzameld werk, een van zijn ernstige gedichten en het is ook een bijzonder gedicht. Niet zozeer omdat hij in Die Wete als halfmalle opa over de raadsels van het leven mijmert, eerder omdat het zelf zo'n raadselachtig gedicht is.

De dichter begint met te zeggen dat hij `met haar en alles bij zich' niettemin alleen was. De stilte, wakend over de nacht met zijn onheil, en de groet die hem 's ochtends wekte ervoer hij nooit als dingen buiten hem om, als externe dingen; de hand die in de zijne greep, de schoot die zich voor zijn hoofd bereid hield, behoorden hem in leven en dood gewoon toe – ze maakten deel van hem uit, want hij en zij waren één.

`Ek was alleen', resumeert hij, met schrijnende plechtstatigheid. Zelf was hij alles, zij was niets. Ze was te nabij om een bekende of vriendje te zijn, ze was niet eens een ander – iets eigens, een deel van hem tot aan de dood.

Ook op de dood wordt voor de tweede keer gewezen.

En toen kwam hij...

Eerst luidde het `op dood en leven', nu blijken dood en leven gescheiden te kunnen worden. De dood kiest niet hem uit, de dood kiest haar. Te laat beseft hij, nu hij alleen is, dat hij in het eerdere stadium niet alleen was.

Vergeef me de parafrase. Het was nodig om te laten zien dat dit bijna-sonnet (er ontbreekt voor een echt sonnet een regel) helder lijkt, met zijn simpele woordkeus en elegische toon, maar toch allerminst eenduidig is. Je moet weer bij de eerste regel beginnen. Over wie heeft de dichter het?

De autobiografie van Langenhoven laten we buiten beschouwing. Wat zegt het gedicht zelf?

Wie zijn `haar en al', de zij en wat ze vertegenwoordigt?

De eerste regel liet je vanzelfsprekend vermoeden dat het om een geliefde dame ging.

Na regel twee en drie ben je geneigd te denken dat het om een dier gaat. Een hond houdt 's nachts in stilte de wacht. Als de zon opkomt wil een hond je wel eens met een lik begroeten. Langenhovens lievelingsteef dus.

Regel vier suggereert je weer dat het om een ding moet gaan. Nooit `net als de dingen om mij heen.'

De hand, hoofd en schoot van de vijfde regel brengen je bij de mens terug. `Ek en sy was een', dat klinkt aannemelijk. Twee zielen gloeiende aaneengesmeed.

Toch blijven binnen die beeldspraak uitdrukkingen als `niks was sy' en `Te ná vir 'n bekende of 'n maat' bevreemdend. Het gaat om iemand of iets met wie je je heel erg verbonden voelt. Elk woord suggereert vertrouwelijkheid en geheimzinnigheid. Het lijkt of de dichter een persoonlijke ervaring uit zijn leven wil opbiechten, of hij een gevoel van schizofrenie wil beschrijven. Eerst was hij door dubbel te zijn alleen om vervolgens, na de ontdubbeling, pas echt alleen te zijn. Of zoiets. Het gedicht blijft fascineren. Verlies, verlies maar wat en hoe? Ik zal het opnieuw moeten lezen om er niet uit te komen.

    • Gerrit Komrij