Ook Afrika doet zijn voordeel met globalisering

Protesten tegen globalisering van de wereldeconomie ten spijt, ook Afrika zal er de vruchten van plukken, meent Dick Bol.

Er is geen lineaire ontwikkeling van arm naar rijk op de wereld, werd in het hoofdartikel in deze krant van 8 juli terecht opgemerkt. Dat blijkt vooral bij de voor- en nadelen van de globalisering van de wereldeconomie. De meeste studies wijzen op de per saldo gunstige economische effecten van het opengaan van economieën: meer inkomensgroei en dus zeker potentieel ook minder armoede. Die kans negeren, zoals in Afrika in de jaren '80 gebeurde, zorgt pas voor een échte ontwikkelingscrisis: stagnatie van de economie en dus sterk toegenomen armoede.

Zo gezien zijn de ongenuanceerde protesten van veel non-gouvernementele organisaties (NGO's) ongeloofwaardig en contraproductief, nog afgezien van de merkwaardige coalitie tussen uiterst verschillende partners pro- en anti-ontwikkeling. Wel zinvol is te wijzen op het meten met twee maten, zoals minister Herfkens van Ontwikkelingssamenwerking onlangs nog eens deed: arme landen wel open en rijke (zie de EU-landbouw) niet.

Globalisering maakt wel de kloof tussen arme en rijke landen andermaal goed zichtbaar, onder andere omdat de industrielanden daar meer van profiteren dan het arme Afrika. En een groeiende kloof zou wijzen op te lage groei in Afrika, veel minder dan de voor armoedebestrijding noodzakelijke 6 procent bijvoorbeeld. Maar verder is die kloof vooral interessant voor opportunistische politici in rijke en arme landen, en voor diegenen die niet genoeg kunnen krijgen van het aanwakkeren van een schuldgevoel. Geen arme ligt daar ooit wakker van, behalve dan impliciet van een te lage groei van het eigen inkomen.

Dat komt omdat echt arme mensen zich bij hun geluksgevoel op geen enkele wijze laten leiden door wat rijken ver weg te besteden hebben. Het gaat er om of zijzelf vooruitgaan. En evenals mensen in rijke landen kijken zij veel meer naar hun buren, en dat valt dus nog steeds mee. Bovendien zijn, in tegenstelling tot bij `gewone mensen' in het Westen, de verwachtingen van arme Afrikanen nog niet op hol geslagen. Dit is geen reden om niet te streven naar meer inkomen voor arme mensen, vooral niet als zij beneden een fatsoenlijk bestaansminimum moeten opereren waar elke cent extra ongetwijfeld tot grote tevredenheid zal leiden. Maar vooral moet niet weer te pas en te onpas die beruchte `kloof' van stal worden gehaald, waarover ook niemand blij was toen die wel kleiner werd.

Denken dat die kloof de migratie van Zuid (arm) naar Noord (rijk) sterk aanwakkert, en daarmee de mensensmokkel, klopt ook niet direct. Globalisering draagt daar in zoverre toe bij dat de Westerse wereld steeds dichterbij komt voor de mensen in verre landen, dankzij goedkoop transport en communicatie, los van het al of niet groter worden van de inkomenskloof.

Maar het zijn nooit de armsten die deze kant opkomen, en nog maar zelden vluchtelingen. Het zijn diegenen die al een stap in onze richting hebben gezet, in de grote steden leven, en voor wie het ruiken aan onze welvaart en cultuur naar meer doet smaken. Een begrijpelijke strategie om eigen welvaart (en die van de achterblijvende familie) te verhogen, maar absoluut geen wanhoopsdaad en niets om `zielig' te vinden. Arme boeren die niet meer dan een dollar per dag te besteden hebben, hebben nog nauwelijks een beeld van het rijke Westen. Laat staan dat ze ervan dromen deze kant op te komen, of duizenden guldens beschikbaar hebben voor de tussenhandel.

Degenen die wel komen als `economische' vluchtelingen erkennen – verwijzend naar hun extreme armoede – is ook onzin, afgezien van het feit dat dan miljoenen arme Afrikanen ineens welkom geheten zouden moeten worden. Echte vluchtelingen leven vooral in kampen rondom het eigen land, en daar een scheutje meer naartoe sturen van de belachelijke sommen die wij thuis voor zogeheten asielopvang verspillen, zou een zegen zijn. Daar is bovendien elke gulden nog een daalder waard. En als aids slecht zou zijn voor de economie, dan toch ook het vertrek van al die gezonde jongeren, ook al vermindert dit eveneens de (potentiële) werkloosheid ter plaatse.

De groeiende kloof tussen rijk en arm is niet zonder meer reden tot triestheid, en gaat voor de meer succesvolle Afrikaanse landen (Botswana, Mauritius, Oeganda, Ghana) allang niet meer op. Ook Afrika kan en zal zeker zijn voordeel doen met meer economische openheid, onder aanvoering van het overal oprukkende Zuid-Afrikaanse bedrijfsleven. Als India en China goed kunnen inspelen op de nieuwe informatietechnologie, waarom dan niet Afrika? De eerdere impasse in door falende staten misleide economieën, is er in elk geval mee doorbroken, hetgeen aanleiding tot enig optimisme en nieuwe dynamiek is, in plaats van er `niet-vrolijk' van te worden.

Er zijn vele dillemma's, maar dat is altijd zo geweest. Krachtige en capabele lokale overheden – helaas schaars – dienen het voortouw te nemen, ook bij het in goede banen leiden van de nu meer liberale economie, en de rijke landen kunnen daar slechts een bescheiden handje bij helpen. Maar dan moet de hulp wel efficiënter en effectiever worden, beter gericht op structurele armoedebestrijding.

Wat dat betreft is het goed dat minister Herfkens de VN-instellingen om deze reden dreigt af te knijpen. Want als ergens inefficiënt wordt geopereerd, dan is het wel bij het VN-programma voor ontwikkeling (UNDP) en een paar van zijn zusjes. Vraag niet wat al die overbetaalde internationale ambtenaren, met diplomatieke status nota bene, daadwerkelijk `in het veld' aan armoedebestrijding doen. Inderdaad, veel `paradepaardjes' en `institutionele ego's' zijn zelfs onderling nauwelijks tot goede samenwerking in staat, laat staan met buitenstaanders. Daar flink het mes in zetten zal ook al niet ten koste van de nachtrust van arme Afrikanen gaan. Wel zou het argeloze Nederlandse belastingbetalers eens kunnen wakker schudden, want juist met hun geld zijn te lang te veel van die paradepaardjes gefinancierd.

Dick Bol is als econoom verbonden aan het Economic Research Bureau van de Universiteit van Dar es Salaam in Tanzania.