Met zijn zessen aan de fok

Zesendertig Nederlandse jongeren zeilen deze maand met de Eendracht de Atlantische Oceaan over. Samen met andere Tall Ships doet de Nederlandse driemastschoener mee aan de race van Halifax naar Amsterdam, waar het schip te zien is op Sail. Na een week ligt de Eendracht op de tweede plaats in haar klasse. Deel 2 van een driedelig reisverslag.

Voor de kust van Halifax krioelt het van de zeilschepen. De `race of the century' begint met een `vliegende start'. De schepen hebben een bepaald gebied voor de kust om rustig hun zeilen te hijsen. De startlijn wordt aangegeven door twee Canadese schepen die één zeemijl (1852 meter) van elkaar liggen. De Tall Ships, verdeeld in klasse A tot en met C, – De Eendracht valt in klasse A, de klasse waartoe de grootste zeilschepen ter wereld behoren – zeilen na het startschot zo snel mogelijk over de startlijn. Op het moment dat een schip de lijn passeert, gaat zijn tijd in.

Om zes minuten over twee op maandag 24 juli begint de tijd van de Eendracht te lopen. De Eendracht gaat niet als eerste over de start, maar binnen een uur heeft ze alle schepen achter zich gelaten. De zon brandt op het dek en er staat een licht zomerbriesje. Alle zeilen staan bij, het enige wat er nu gedaan kan worden is hard werken en niet denken aan de weken wind en zee die voor ons liggen.

Zodra de Eendracht zeilt, gaat het wachtsysteem in met de Witte wacht. De trainees zijn in vier wachten verdeeld, de Rode, Witte, Blauwe en Oranje wacht. Een kwartiermeester heeft de leiding over een wacht. Een wacht duurt drie uur, daarna heeft hij negen uur vrij.

De eerste dagen na de start blijft het onbewolkt. De wind is zwak; met vier knopen (vier mijl per uur) komen we niet snel vooruit. Langzaam wordt de Eendracht ingehaald door kleinere schepen uit de C-klasse, zij zijn licht en kunnen dus met weinig wind nog redelijk snel vooruit. De oceaan is spiegelglad. Hoewel niet bevorderlijk voor ons klassement is dit weer heerlijk om mee te beginnen. Niemand is zeeziek.

De stilte op de oceaan is aanstekelijk, als er aan dek wordt gesproken, is het op gedempte toon. Tot na het avondeten buiten op het achterdek. ,,Grote vis aan bakboord!'' schreeuwt een van de bemanningsleden: een walvis. Het dier is ondergedoken en net als iedereen weer weg loopt, duikt hij weer op. Weer een gil en de hele groep staat aan de reling. Het is een `noordelijke butskop' die nu eens aan de ene, dan weer aan de andere kant van het schip boven water komt. Met veel gebonk rent de groep over het dek. ,,We zijn met een wedstrijd bezig hoor'', roept een bootsman, maar de walvis wint het.

Tijdens de morgenwacht van de tweede dag (03:00-06:00) neemt de wind toe tot windkracht vijf. We moeten opeens hard werken. De snelheid van het schip is verdubbeld tot acht knopen. De kleine schepen die ons de afgelopen dagen hadden ingehaald, liggen nu weer ver achter.

Het schip zeilt stampend over de oceaan. Wanneer je door het dagverblijf loopt, lijkt het of je dronken bent. Trappen lopen is ineens een moeilijke aangelegenheid geworden en het douchen is al helemaal niet te doen. In een hokje van één vierkante meter moet je je staande weten te houden. Het water loopt alle kanten uit. Het is levensgevaarlijk geworden om bij het afdrogen en aankleden op één been te staan. Terwijl de potten pindakaas bij het ontbijt over tafel vliegen, schrijft een van de stuurmannen in het logboek dat er een `lichte oceaandeining' is.

Zodra de oceaan begint te bewegen, hangen de eerste mensen over de railing. Tijdens de maaltijden is het stil in het dagverblijf en op het achterdek, de theetuin, ligt het bezaaid met zieke trainees die niet beneden in hun kooi durven te slapen. Er is nog niet veel buiswater (opspattend water), maar op de een of andere manier is het hele schip spiegelglad geworden.

We zijn nu een week onderweg. De deining was bij windkracht vijf erg, bij windkracht zeven is het nog erger. De stuurman noemt de deining nu `middelhoog'. De tijd van nietsdoen en liedjes zingen tijdens de wacht is voorbij. Het voordek is een kermisattractie geworden. Moet er een fok worden gehesen, dan sta je al gauw met z'n zessen aan de `neerhaler', de lijn waarmee de fok naar beneden wordt gehaald, te trekken. Staan blijven is moeilijk en na afloop zit het zout zelfs achter je oren.

Het voorschip, waar mijn hut is, komt soms wel vijf meter boven de zee uit en valt dan met een klap terug in het water. Dit gaat met zo'n kracht dat ik van mijn matras word gelicht en met een ruk weer wordt teruggesmeten.

De harde wind en de deining zijn goed voor de teamspirit. Niets lukt je alleen, het hijsen van de zeilen gaat met acht man onder luid `1..2.. hup'-geroep. Wie even niets staat te doen, moet het ritme voorschreeuwen. Het zwoegen wordt beloond, we varen in de kopgroep. De hele week zweeft de Eendracht tussen de eerste en de derde plaats. Vooral tussen de Eendracht en de Mir (een Russisch schip ook uit de A-klasse) is het een nek-aan-nekrace. Het zal nog wel even spannend blijven, want het einde van de oceaan is nog lang niet in zicht.