De groene overmacht

Reeds lang heeft u niets vanaf de klei vernomen. Dat komt omdat alles dit jaar tegenzit. Het begon al in het vroege voorjaar. Na een uitzonderlijk natte periode, volgde opeens, half mei, tropische hitte. In Enschede meende F.E. Fireworks daar op 13 mei nog een schepje bovenop te moeten doen, maar ook elders was het gloeiend heet. De kletsnatte klei werd gebakken alsof zij zich in een aardewerkoven bevond en bleek daarna nagenoeg onbewerkbaar.

Niettemin lukte het mij na veel bikken en fijnstampen tuinbonen te leggen. Zodra die echter ontkiemden en hun eerste tere groene loten boven de grond staken, streken de houtduiven erop neer. Ze trokken de kiemplantjes stuk voor stuk de grond uit en peuzelden ze voor dag en dauw op. Exit tuinbonen.

M'n erwtjes kwamen amper op in de bikkelhard gebakken klei. Wat uiteindelijk toch nog tot wasdom kwam en vrucht zette, verdween ook in de vogelmagen. De merels ritsten de peulen open en gristen de erwtjes eruit. Capucijners heb ik dit jaar helemaal niet gezien, ze kwamen domweg niet op. En die verrukkelijke, malse spitskool, anders altijd de voornaamste troost op kille, winderige voorjaarsdagen, wilde maar niet groeien. Alleen uit mijn kasje heb ik nog enkele kindervuistgrote spitskooltjes weten te oogsten. Later heb ik nog wat witte kolen geplant. Ze groeien nog immer, maar vermijden tot op heden de schijn van echte kolen.

Door het rare weer – nu eens was het uitzonderlijk warm, dan weer leek het wel alsof de winter al was aangebroken – raakte de spinazie ook volledig van slag. Ze schoot de grond uit, en schoot meteen in zaad. Toch heb ik warempel nog één maal malse voorjaarsspinazie mogen eten. Het blijft toch veruit de lekkerste groente.

Beter verging het de snijbiet. In z'n prachtige boek De eeuw van mijn vader gewaagt Geert Mak van de teelt van snijbieten, maar dat is eigenaardig spraakgebruik. Je hebt 't ook niet over `spinaziën'. Snijbiet is een bladgroente, je gebruikt nooit de meervoudsvorm. Enfin, snijbiet, de troost van de amateurtuinder, groeide ondanks Geert Mak en de malle weersomstandigheden uitstekend en al sinds mei eten we de ene dag snijbiettaart, de volgende dag snijbietmoes, de dag daarop snijbietsoep, en in het weekend snijbietcompote. Als gevolg daarvan beginnen wij aardig groen uit te slaan.

Wat ik aan slaplantjes zette, werd meteen door de slakken geconsumeerd. En wat de slakken nog overlieten, daarmee werd ondergronds korte metten gemaakt door de veenmol. Voorzover de gelegde spercieboontjes al opkwamen, groeiden ze in de idioot koude julimaand toch volstrekt niet. Terwijl je in andere jaren op de Franse nationale feestdag altijd de eerste spercieboontjes kunt eten, zijn ze nu nog steeds niet op mijn bord verschenen. De zomerwortelen zijn domweg niet opgekomen, het loof van de winterwortelen hangt verdreuteld in de zaaibedden tussen spichtige uien.

Zou er een vloek op het jaar 2000 rusten? Of, erger nog, een vloek op de nieuwe eeuw? Het eigenaardige is dat het onkruid weliger tiert dan ooit. Ik heb brandnetels staan van drieëneenhalve meter hoog. De bramen woekeren geweldig; hele stukken tuin zijn aan het oog onttrokken door jonge loten. Ga je erbij staan dan kun je ze zien groeien. Ook de haagwinde blijkt enorm in z'n element te zijn. Overal verschijnen die tere witte pispotjes die ik als kind zo prachtig vond en waar ik nu zowat een hartverlamming van krijg.

Toch heb ik mij, hoe groot de groene overmacht van braam, brandnetel en haagwinde ook blijkt, vanaf half mei verlustigd in de aanblik van mijn aardappels. Hoe beroerd het dit jaar verder ook ging, m'n aardappels deden het geweldig. Prachtig dondergroen loof, uitzonderlijke mooie paarse bloemen, en reusachtige planten die moeiteloos concurreerden met de brandnetel en harig knopkruid. Maar wat gebeurt er eind juli? Van de ene op de andere dag blijkt al het aardappelloof opeens aangetast door de gevreesde zwam die de bladeren eerst aan de onderzijde wit kleurt en ze vervolgens viesbruin maakt. En als eenmaal die zwam het loof aantast, tast hij vervolgens ook de knollen aan die onder de grond zitten. Kortom: aardappelziekte. En zomaar opeens, echt binnen 24 uur, al het loof van donkergroen in no time tabaksbruin. Hoe is dat nou mogelijk?

Zou het op andere grondsoorten ook zo'n rampjaar zijn? Of komt het allemaal doordat de klei half mei zo bikkelhard gebakken werd? Na de ramp in Enschede is het op onze klei in ieder geval niet meer goed gekomen. Deze zomer hebben wij het onderspit gedolven tegen de groene overmacht.

    • Maarten ’t Hart