`Claim op schilderij Schiele is terecht'

Twee weken geleden wees een Amerikaanse rechter de claim op een schilderij van Egon Schiele af van de erfgenaam van de gevluchte Oostenrijkse galeriehoudster Lea Jarray. De erfgenaam gaat in beroep. Een boek over de kunsthandelaar Welz werpt nieuw licht op de zaak.

De strijd om het portret Wally (1912) van de Oostenrijkse schilder Egon Schiele (1890-1912), dat Amerika niet uit mag, heeft een verrassende wending gekregen. Een publicatie die een nieuw licht werpt op de herkomst, doet de officiële Oostenrijkse claim wankelen.

Schiele's schilderij Wally maakt deel uit van de zogenoemde collectie Leopold, die in het bezit is van de Oostenrijkse staat. Sinds eind 1997 werd het na een expositie in het Museum of Modern Art (MoMa) door de Amerikaanse justitie als vermeend roofgoed in beslag genomen. Het doek werd geclaimd door de Amerikaan Henry S. Bondi, een nazaat van de in 1938 uit Wenen gevluchte Lea Jaray, de toenmalige eigenaresse van het doek. De Amerikaanse justitie legde beslag op Wally en sindsdien probeert Bondi de rechtmatigheid van zijn claims te bewijzen.

Twee weken geleden werd het beslag echter opgeheven. Bondi's advocaat is in beroep gegaan. Een zojuist gepubliceerd boek zou zijn werk aanzienlijk kunnen verlichten. Uit het boek over de Salzburgse kunsthandelaar Friedrich Welz (1903-1980) blijkt namelijk dat de Oostenrijkse versie niet klopt.

Friedrich Welz was de man die Lea Jaray, de rechtmatige eigenaresse van Wally, een paar dagen voor haar vlucht onder druk zette om hem het doek te geven. Van een koopcontract was geen sprake, in zijn magazijnboek vermeldde hij slechts `Wally, 200 RM' (Reichsmark). De marktwaarde was toen 2.000 RM. Eerder had hij al Lea Jaray's eigen galerie `geariseerd'. Dat wil zeggen dat hij de zaak voor een habbekrats kocht en zelfs daarvan maar een gedeelte aan Jaray betaalde. Na de oorlog zorgde Welz samen met Oostenrijkse ambtenaren ervoor dat zo veel mogelijk `geariseerde' of door de nazi's geroofde kunstwerken in handen van de Oostenrijkse staat kwamen of bleven. Dat de joodse slachtoffers daardoor, voor de tweede keer, werden benadeeld, stoorde niemand. Lea Jaray was een van deze slachtoffers. Oostenrijk stelt nu dat het schilderij bij vergissing in 1945 in handen is gekomen van de erfgenamen van de in Theresienstadt vermoorde arts Heinrich Rieger. Zij verkochten het aan de Österreichische Galerie door. Wally werd inderdaad aan de verkeerde erfgenamen teruggegeven en daarna doorverkocht, maar van een vergissing was geen sprake.

In zijn boek Meister des Verwirrens. Die Geschaefte des Kunsthaendlers Friedrich Welz geeft de germanist en historicus Gert Kerschbaumer een gedetailleerd verslag van de activiteiten van de kunstkenner, die roofde, bedroog en chanteerde en onder eerbewijzen werd bedolven. De nazi's maakten de befaamde kunsthandelaar tot directeur van de Landesgalerie Salzburg. Dat stelde Welz in staat allerlei transacties met zichzelf af te handelen: kunsthandelaar Welz verkocht aan directeur Welz en omgekeerd.

Welz was geen nazi. Hij hield van kunst en verachtte de bekrompen visie op kunst van de nazi's. Maar zijn leven lang had hij de juiste vrienden op het juiste tijdstip. Zo werd hij onder het nazi-bewind rijk en machtig. Hij lichtte ook de nazi's op. Die vertrouwden hem niet helemaal, maar ze konden niets bewijzen. Een door de nazi's gestuurde kunsthistoricus zwichtte behalve voor de charme van de kunsthandelaar ook voor Welz' `slordige boekhouding'.

In 1944 maakte Wally deel uit van weer een voor Welz voordelige transactie. Welz ruilde acht schilderijen van acht Oostenrijkse kunstenaars, waaronder Wally, uit zijn bezit tegen Courbets Le Ruisseau du Puits Noir, dat in het bezit was van de Landesgalerie. Om deze deal mogelijk te maken had hij de waarde van de Oostenrijkse schilderijen sterk verhoogd en de waarde van de Franse impressionist verlaagd. Zoals bij alle kunstwerken van joodse eigenaren werden in de inventarislijsten van de Landesgalerie de namen van de bezitters verzwegen. Vanaf dat tijdstip was Wally dus in het bezit van Salzburg.

Na de oorlog kreeg Jaray haar galerie terug, nagenoeg leeg. Welz sprak van plunderingen en beschuldigde de geallieerden. Wally kwam niet ter sprake, omdat het doek geen onderdeel van de galerie was geweest, maar tot het privébezit van Jaray had behoord. Jaray, die in London woonde, kon niet weten waar Wally was en Welz verzweeg het, net als de ambtenaren die eveneens moesten weten dat het schilderij in de Landesgalerie was. De Amerikanen droegen Welz op om door hem tijdens de oorlog `verworven' kunstwerken aan de rechtmatige eigenaren, respectievelijk hun erfgenamen terug te geven. Onder hen bevonden zich de erfgenamen van Heinrich Rieger. De vermoorde arts had meer dan 800 kunstwerken bezeten. Het grootste deel van zijn collectie was echter `verdwenen'.

Welz voelde er niets voor om de schilderijen die hij in bezit had terug te geven. Uiteindelijk gaf niet Welz maar de Landesgalerie zes schilderijen aan de erfgenamen van Rieger. Kerschbaumer vermoedt dat Welz de Salzburgse ambtenaren onder druk heeft gezet. Hij wist als voormalig directeur van de Landesgalerie maar al te goed welke schatten er lagen en waar ze vandaan kwamen. Welz zweeg en mocht als beloning zijn Rieger-schilderijen houden. Salzburg gaf een aantal schilderijen terug, maar hield het grootste deel van de `geariseerde' kunstwerken eveneens achter. Onder de zes door de Landesgalerie aan de erven Rieger teruggegeven schilderijen was ook Wally. Dat portret werd in plaats van een tekening van Schieles echtgenote Edith overhandigd aan de advocaat van de Rieger-erfgenamen, de latere minister van justitie Christian Broda.

Elke leek kan een tekening van een olieverfschilderij onderscheiden. Iedereen die bij deze transactie betrokken was – Welz, Broda en de ambtenaren van de monumentendienst – moet geweten hebben dat aan de nabestaanden van Rieger iets werd teruggegeven dat nooit tot het bezit van Heinrich Rieger had behoord.

De Rieger-erven hebben de kunstwerken nooit gezien. De zoon was in New York, de kleindochter in Jeruzalem. Beiden gaven aan Broda toestemming om de zes schilderijen meteen aan de Österreichische Galerie door te verkopen. De Österreichische Galerie kocht de stukken zonder op de keten van eigenaren te letten.

In 1954 kwam Wally in het bezit van de Schiele-verzamelaar Rudolf Leopold. Lea Jaray had hem verteld dat Wally haar eigendom was en hem gevraagd haar te helpen het doek terug te krijgen, maar Leopold accepteerde de verklaring van de Oesterreichische Galerie dat de aankoop rechtmatig was.