Zomerklömpkes

Koren hoort blond te wuiven in een zonnige bries. Maar bruin en terneergeslagen lijkt het te berusten in de slagregens en mist. Hortensia's met bolle roze of blauwe bloemen horen er pront bij te staan. Ze hangen als mislukte reuzenoctopussen, niet meer te stutten met nu al twintig bamboestokken. De rozen die weelderig horen te klimmen, klimmen inderdaad. Maar hun bloemknoppen sterven een vroegtijdig einde, bruin en verrot.

Ik hoor de tuin in te gaan, blond, wuivend, pront en weelderig. Zonovergoten en rijp: pluk mij! pluk mij! Doch moeizaam ski ik op dichtslibbende profielzolen naar de boomgaard. Hoe kom ik bij de eerste valappels om daarvan de eerste appeltaart van het seizoen te bakken?

Bij de coöperatie zeggen ze dat klompen de oplossing zijn – die hangen niet aan. Zomer 2000, denk ik, en ik moet klompen kopen. Het worden grote, gele schuiten. Mijn smalle voeten verzuipen in de breedte. Zo fier mogelijk wandel ik in mijn roeiboten naar mijn naaste buur, boer Hendrik. ,,Kijk'', ik wijs op mijn klompen en zeg op de vragende vrouwenmanier: ,,Zomerklömpkes, nu hoor ik toch een beetje bij bij de streek?''

Hij lacht geringschattend: ,,Ben je naar het museum geweest?'' Belerend voegt hij me toe: ,,Je moet vrouwenklömpkes kopen, met zo'n leren bandje over je wreef. Want in deze klompen krijg je knobbels op je voeten en dat vindt je man niet leuk.''

    • Marlin Rinten