Lelijkerds

Lopend over de Albert Cuypmarkt word ik altijd weer getroffen door de algehele lelijkheid van de mensen om me heen. Slonzigheid, schreeuwerige kleding, karpatenkoppen en heel veel vlezigheid. Niet dat het publiek er beter uitziet in andere delen van de stad of in de rest van het land. Voor minder openbare lelijkheid moet je naar het Zuiden en dan zit de winst aan schoonheid eigenlijk alleen in minder dikte. In Frankrijk en de Middellandse-Zeelanden heerst minder overgewicht onder de mensen. Wat dit punt betreft begeven Nederlanders zich langzaam maar zeker in de richting van de Duitsers en de Amerikanen. Maar goed, zelfs als alle overtollige kilo's op magische wijze verwijderd zouden worden, dan hou je nog een leger van lelijkerds over op die Albert Cuypmarkt.

Deze aanblik montert mij altijd geweldig op. Misschien komt het door de sfeer die bij een markt hoort, minder gehaast dan elders, waardoor mensen zich ook ontspannen voortbewegen. Het is er tamelijk gezellig en op geheimzinnige wijze heft dat de lelijkheid op. De afgetobde huisvrouwen die daar voortsjokken met hun verkeerde jurken en hun jengelende kinderen, de oudjes zonder enige lichaamsvorm, de tienermeisjes die ten onrechte denken zich een naveltruitje te kunnen permitteren, de mannen met hun bollende bierbuiken en afgezakte broeken, de stoffige intellectuelen met hun outfit die twintig jaar geleden mode was, iedereen loopt daar maar en ziet er niet uit. Niemand lijkt zich iets gelegen te laten liggen aan het idee dat schoonheid van levensbelang is. Ze zijn integendeel bezig de prijzen van de aardbeien te vergelijken of ze maken zich zorgen om hun kat of hun oude moeder die ziek thuis ligt.

Toch wordt op het ogenblik het belang van schoonheid er aan alle kanten ingehamerd. De evolutiepsychologie stelt dat schoonheid duidt op een hoge genetische kwaliteit en dus betere kansen biedt op de voortplantingsmarkt. In HP/De Tijd van vorige week was te lezen dat `mooie' juristen 20.000 gulden per jaar meer verdienen dan `gemiddeld mooie' juristen. Psycholoog Hofstee stelde verder dat alleen politiek correcte struisvogels ontkennen dat mooie mensen meer succes hebben.

Als dit allemaal waar is, vraag ik me af hoe die mensen van de Albert Cuyp ooit meer dan het minimumloon bij elkaar kunnen schrapen en hoe ze zich überhaupt hebben kunnen voortplanten. Wie wil die lelijkerds in dienst of in bed? In de praktijk valt dat blijkbaar nog wel mee, want velen van hen voeren kroost mee in hun kielzog en ze gaan met vakantie naar de Canarische eilanden, dus met het inkomen zit het ook wel goed.

Wat me tegenstaat aan de nieuwe schoonheidstheorieën is de nadruk op objectieve maatstaven: iedereen vindt hetzelfde mooi. Dit is uitgezocht door middel van computersimulaties die allerlei gezichten in elkaar laten vervloeien tot er een soort gemiddelde ontstaat, dat door alle proefpersonen als mooiste eruit wordt gepikt. Ook zijn baby's meer geïnteresseerd in mooie dan in gewone gezichten. Wel zie ik de baby's in hun karretjes op de markt geïnteresseerd rondkijken naar alle lelijkheid om hen heen, maar misschien speuren ze slechts vergeefs naar een Mona Lisa in hun blikveld. De wetenschap heeft ongetwijfeld gelijk: mensen hebben liever een aantrekkelijk persoon om zich heen dan een gedrocht.

Toch is er een probleem. Als er maar heel weinig echt mooie mensen rondlopen, waaruit bestaat dan de relevantie van het begrip objectieve schoonheid? Iedereen is het erover eens wat de bouwstenen van schoonheid zijn: jeugd, slankheid, gave huid, goed geproportioneerd lichaam, maar de meesten bezitten dat niet of zijn het allang weer kwijt. Dan zul je toch iets anders moeten verzinnen, bijvoorbeeld de ouderwetse opvatting dat schoonheid iets subjectiefs is. De gedachte dat gebrek aan uiterlijk schoon gecompenseerd kan worden door een prettig karakter, slimheid, gevatheid of gedrevenheid houdt het leven en de lelijkheid draaglijk. Succes leidt tot schoonheid en niet andersom. Als je Cor Boonstra een stofjas aantrekt, valt hij niet te onderscheiden van de gemiddelde schoolconciërge.