Laatste bloemen

Mijn eerste bloemen kreeg ik toen ik zeventien was. Op een mooie lenteavond, een dag waarop het leven vol beloften lijkt, wandelde ik met mijn vriend zoals gewoonlijk naar de de kop van de haven van onze geboorteplaats. Ineens had ik een vreemd gevoel, ik bleef staan en hoestte bloed in mijn zakdoek; niet veel maar genoeg om mij te doen verstijven. Tegenover mijn vriend liet ik het voorkomen alsof ik mij niet lekker voelde. Drie jaar tevoren had ik pleuritis gehad en bijna een heel jaar de school moeten verzuimen. Nadat ik van mijn schrik was bekomen, zetten wij onze wandeling voort. Mijn vriend had het bloed niet gezien.

Thuis vond ik niet de moed mijn ouders het trieste nieuws te bekennen. Mijn moeder had zich na mijn pleuritis toch al zo bezorgd over mijn gezondheid gemaakt. Ik zei dat ik mij niet goed voelde en de volgende dag naar de dokter zou gaan. Ik was van plan ook hem niet te zeggen dat ik bloed had opgegeven. Als het ernstig is, ontdekt hij het wel, dacht ik.

Onze huisarts beklopte en beluisterde mijn borstkas en stuurde mij, op grond van mijn vage klachten, naar bed met `een ontsteking van het hartzakje'. Twee weken lang lag ik op zolder in mijn bed, liet mijn vingernagels groeien (uit spijt, uit woede?), keek de halve dag in een spiegeltje en besefte op een doffe razende wijze dat ik longtuberculose had. Mijn vader belde de HBS op om te zeggen dat ik ziek was.

Na een paar dagen kwam een meisje uit mijn klas vragen hoe het met mij ging. Zij was gestuurd door juffrouw Schröder, de lerares Frans. Mijn moeder stond mijn klasgenote vriendelijk te woord maar liet haar niet binnen. Behalve naaste familie kwam bij ons nooit iemand in huis. Dat was niet gebruikelijk, behoorde niet tot onze levensopvatting. Diezelfde middag werden bloemen voor mij bezorgd, met een kaartje waarop juffrouw Schröder mij spoedige beterschap wenste. Het waren zoetgeurende witte violieren waarnaar ik in mijn bed verbijsterd lag te staren. Nog altijd roept de geur van violieren bij mij de beelden op van mijn schamele ouderlijk huis, van juffrouw Schröder en van het meisje uit mijn klas, dat gehoorzaam en bereidwillig haar boodschap had gedaan. Haar voornaam ben ik vergeten, haar achternaam was: De Nobel.

Mijn (tot nu toe) laatste bloemen kreeg ik van Alissa, mijn oudste dochter. Zij was in Parijs geweest en bracht voor mij een paar zwarte, vrijwel doorschijnende, zijden sokken mee, stellig de mooiste sokken die er in de lichtstad waren te vinden en een tuiltje Alpencyclamen. De cyclamen waren, om ze fris te houden, in vochtige watten gewikkeld. Ik ontdeed ze van de watten, schikte ze in een glas en zette ze op de vensterbank, in het verflauwende schijnsel van de ondergaande zon. Ik kijk er telkens naar en denk aan de lange weg die zij hebben moeten afleggen om bij mij te komen.

Lieve violieren! Lieve cyclamen! Lieve juffrouw Schröder! Lieve Alissa!

    • Adriaan Morrien