Groot sterrenkundige

Afgelopen maandag, 31 juli, overleed op 81-jarige leeftijd Henk van de Hulst aan een inoperabele longtumor. Hij was een van de grootste sterrenkundigen die Nederland de afgelopen 150 jaar heeft voortgebracht. In 1944 voorspelde Van de Hulst dat de hoeveelheid waterstof in de interstellaire ruimte voldoende groot was om meetbare radiostraling te geven bij een golflengte van 21 cm. Deze voorspelling veroorzaakte een doorbraak in het sterrenkundig onderzoek.

Henk van de Hulst werd in Utrecht geboren op 19 november 1918, als een van de zes kinderen van W.G. van de Hulst, een vooral in protestantse kringen beroemde schrijver van kinderboeken. Tijdens zijn studie natuur- en sterrenkunde in Utrecht deed Van de Hulst in 1941 mee aan een prijsvraag over verstrooiing van licht door stof in de interstellaire ruimte. Hij won hem niet, maar kwam zo wel in contact met de Leidse sterrenkundige J.H. Oort. En in 1946 promoveerde hij cum laude op hetzelfde onderwerp bij de Utrechtse sterrenkundige M.G.J. Minnaert. Later schreef hij er nog een klassiek geworden boek over, dat, zoals Van de Hulst zelf ooit trots zei, was ,,geschreven om het licht van de Melkweg te verklaren, maar in melkfabrieken wordt gebruikt om de grootte van vetbolletjes in de melk te meten''.

Zijn grote ontdekking had Van de Hulst toen al gedaan. In 1944 belegde Oort een clandestiene vergadering op de Leidse Sterrewacht om de eerste (Amerikaanse) kaart van radiostraling uit het heelal te bespreken. Oort vroeg Van de Hulst daarvoor uit te zoeken of er in het radiospectrum een spectraallijn voorkwam. Oort werd op zijn wenken bediend. Van de Hulst vond dat waterstof, het meest voorkomende element in het heelal, een spectraallijn heeft bij 21cm, dat wil zeggen dat het bij die golflengte radiostraling uitzendt of absorbeert. En hij kon vervolgens aantonen dat er in de interstellaire ruimte voldoende waterstof voorkwam om die 21 cm straling ook meetbaar te maken. Deze voorspelling werd in 1951 bevestigd door radiometingen in Harvard, Kootwijk en Sydney. Het is een van de belangrijkste ontdekkingen in de sterrenkunde van de afgelopen honderd jaar.

Na zijn promotie vertrok Van de Hulst naar Chicago, maar Oort lokte hem al in 1948 terug naar de Rijksuniversteit Leiden waar hij in 1952 hoogleraar werd. In 1984 ging hij met emeritaat. Van de Hulst werd in 1958 de eerste president van COSPAR, een internationale organisatie voor vreedzame exploitatie van de ruimte. Als symbool voor die vreedzaamheid gaf Van de Hulst ooit de astronauten Glenn uit de Verenigde Staten en Titov uit de Sovjet-Unie, ieder een Nederlandse klomp, die beide uit hetzelfde hout waren gesneden. Hij was ook actief in Nederlandse en Europese ruimtevaart- en onderzoekorganisaties. Hij leverde belangrijke bijdragen aan het onderzoek van de zonnecorona.

Harm Habing is hoogleraar astrofysica te Leiden

    • Harm Habing