De Sisyfusarbeid van een mestkever

Alleen al om het begin, waarin drie mannen van ver gefilmd in een Landrover door wiegende Van Gogh-landschappen rijden en alleen hoorbaar met elkaar bakkeleien over de juiste weg naar hun bestemming. Alleen al om dat labyrintische dorp waar zij uiteindelijk arriveren, gemaakt van gepleisterde trappen en trapjes, ingezakte doorkijkjes, met leem aangesmeerde balkonnetjes en vervaarlijk overhangende terrassen. Of om die appel met een eigen wil, die eerst naar links stuitert en dan naar rechts rolt, en dan weer terug, en aarzelt, en via de regenpijp voor de voeten van een jongetje ploft.

De wind zal ons meenemen van de Iraanse filmmaker Abbas Kiarostami (Waar staat het huis van mijn vriend?, Taste of Cherry) geeft vele redenen om ervan te houden. Hij is spannend (waarom zijn die drie mannen daar in dat dorp?), grappig (elke dag sjeest een van hen, de hoofdpersoon, met zijn mobiele telefoon de berg op omdat dat de enige plaats is waar hij gesprekken kan ontvangen) en visueel groots georkestreerd (de totaalshots zijn zo wijd dat zij de wereld hartstochtelijk lijken te omspannen). Het is geen film die over een andere film gaat, een film die de filmmaker die tevens de hoofdpersoon is eigenlijk zou moeten maken; een stijl en thematiek waarmee Kiarostami groot werd en die zijn collega Mohsen Makhmalbaf vervolmaakte.

Kiarostami reflecteert in De wind zal ons meenemen slechts zijdelings op het proces van het filmmaken zelf. De hoofdpersoon, een man die als `de ingenieur' wordt aangeduid, laat zijn fotocamera al de eerste dag na zijn aankomst in het afgelegen bergdorpje Siah Dareh in Iraans Koerdistan, in het plaatselijke theehuis liggen, en zal hem nog slechts eenmaal, dwangmatig, schuldbewust, gebruiken. Ook de `apparatuur' die zijn buiten beeld gehouden collega's (landmeters? documentairemakers? archeologen?) bij zich zouden hebben, krijgen we niet te zien.

De film vraagt zich niet, zoals Kiarostami's eerdere films, af of het mogelijk is het leven oprecht te verbeelden, maar veeleer of het mogelijk is om oprecht naar het leven te kijken, en zelfs of het mogelijk is oprecht te leven. Dat is een metafysische wending die niet iedere toeschouwer die Kiarostami de afgelopen jaren aan zich heeft gebonden, even makkelijk zal kunnen volgen.

Terwijl de man (als enige gespeeld door een min of meer professionele acteur) om slechts langzaamaan onthulde redenen wacht op de dood van een vrouw uit het dorp, lokken de val van die appel, de smaak van een kom aardbeien (die de kersen uit Kiarostami's voorlaatste film in de herinnering roepen), de Sisyfusarbeid van de mestkever zijn aandacht naar het leven terug. Al deze details zijn met zorg in beeld gebracht. Maar veel is ook onzichtbaar: de stervende vrouw en daarmee de dood zelf, de man die een gat graaft op het kerkhof, maar niet zegt de doodgraver te zijn. Zonder zijn toevlucht te hoeven nemen tot verhullende metaforen kon Kiarostami bovendien een aantal zeer geestige dialogen kwijt over werkende vrouwen, en die illustreren met een scène waarin een vrouw die de vorige dag haar tiende kind heeft gebaard de volgende ochtend alweer gewoon de was ophangt.

`De wind zal ons meenemen' is een strofe uit een gedicht van de Perzische dichteres Forough Farrokhzad (1935-1967) dat bezingt hoe de verteller, aanvankelijk `verslaafd aan zijn eigen wanhoop', liefde en levenslust vindt. Dat thema sluit naadloos aan bij dat van Taste of Cherry, waarin een suïcidale man herinnerd wordt aan het feit dat zelfs de smaak van kersen genoeg kan zijn om het leven de moeite waard te maken. De wind zal ons meenemen is duisterder, wreder, maar ook doordachter, intenser en op een prikkelende manier cryptischer dan zijn voorganger. Beide films werden, respectievelijk in Venetië en Cannes, met belangrijke filmprijzen bekroond.

De wind zal ons meenemen (Bad mara khahad bord). Regie: Abbas Kiarostami. Met: Behzad Dourani en de inwoners van het dorpje Siah Dareh in Iraans Koerdistan. In: Rialto, Amsterdam; Haags Filmhuis, Den Haag; Lantaren/Venster, Rotterdam; 't Hoogt, Utrecht.