Wachten op applaus

In het recent verschenen boek Het PSV-gevoel laten diverse collega's hun licht schijnen over de Brabantse voetbalclub. Een passage van de hand van Ed van de Kerkhof van het Eindhovens Dagblad trof mij zeer.

Het gaat over Romario: ,,Ik heb hem gezien op de markt in Eindhoven. Hij stak over met zijn schoonbroer. Het was een eerste lenteavond en de terrassen zaten vol. Je zag het aan zijn schouderbladen. Hij wachtte op applaus. Of een handkus van een dame, of een opgestoken duim. Hij kreeg niets. De markt zweeg. Bewondering is een deel van de beloning van het genie. Een Latijnse ster snakt naar confetti. Eindhoven heeft hem dat nooit geboden, gewoon omdat Eindhoven er nog steeds aan moet wennen een stad te zijn.''

Hij wachtte op applaus. Nu is ook waar dat de ene kampioen de andere niet is. Laatst in de krant de foto van Lance Armstrong en Marco Pantani gezien? Er flikkerde een duivels lichtje in de ogen van de Italiaanse campionissimo. Maar op het uit steen gehouwen gezicht van de Texaan viel niets te lezen. Ik zie Pantani dat plein ook oversteken. Zo niet in Eindhoven, dan wel ergens in Italië. De terrassen zitten vol. Hij rekt de schouders iets omhoog en wacht op applaus. Hij hoeft niet lang te wachten. Daar klatert het al op hem neer. Let op zijn gezicht: hij lijkt het applaus gretig op te zuigen. Hier doet hij het voor, al die kunstjes.

Maar in West-Europa gaat dat anders. Toen Piet Moeskops een van zijn wereldtitels behaalde (ik meen dat het in Zürich was) dronk hij 's avonds aansluitend op het behalen van die sprinttitel samen met Joris van den Bergh een glas bier op het terras in de tuin van zijn pension. Dat was de hele viering.

Je schijnt vooral gewoon te moeten doen onder alle omstandigheden. Al die verhalen over mensenmassa's op de Coolsingel en Leidse Plein zijn in zoverre overdreven, dat er weliswaar adoratie uit blijkt, maar ook en vooral massale nieuwsgierigheid en het verlangen om `erbij te zijn'.

Onze calvinistische nuchterheid is nooit een wegwerpartikel geworden. Telkens als je denkt dat we flink uit onze bol gaan, trekken we onze nuchterste gezicht om even later tot de orde van de dag over te gaan.