Cremeren of begraven

Hij ligt weer heel in zijn bed na de tomeloze energie van overdag. Als weldadige tegenstelling tot zijn rusteloosheid kan hij tijden geconcentreerd bezig zijn met voor zijn leeftijd ingewikkeld lego.

De logeerpartijen beginnen wat rustiger te verlopen. Met zeven jaar valt er al iets te overleggen.

Niet meer met een hobbelpaard over de kop of uit de kinderstoel vallen. In een onbewaakt moment onder het prikkeldraad doorkruipen en koeien aaien in het weiland achter onze tuin. Een kleine greep uit zijn kleuterhistorie.

Braaf heeft hij vanmorgen beloofd niet op zijn fietsje over te steken. Toch zag ik hem met een vaartje voor een auto langsscheren in onze gelukkig stille, kindvriendelijke straat.

Maar nu ligt hij dan eindelijk frisgewassen, met zijn leuke jongenshoofd boven de deken, naar het bedverhaaltje te luisteren. Na het welterustenritueel met een liedje toe bereid ik mij voor op zijn vragen.

Op weg naar een stoel en een krant komt de eerste. Kun je nog springen? Zonder de minste behoefte lukt het met een paar aangepaste huppeltjes. Hij lijkt tevreden. Na twee treden word ik weer teruggefloten. Kun je nog hinkelen? Het `nog' spreekt boekdelen. Ook dat gaat naar zijn zin, als opdracht zelfs rechts en links.

Opbeurend zegt hij: jij wordt wel honderd, maar dan moet je niet vet eten en vroeg naar bed gaan. Ik beloof het gretig en hoop niet dat hij gelijk krijgt met die honderd jaar. Bijna beneden ben ik als hij roept: ik moet je echt nog wat vragen.

Schuldbewust besef ik dat mijn eigen kinderen nu tot slapen gedwongen zouden worden. Maar zijn ouders vieren vakantie. Heimwee moet koste wat kost voorkomen worden.

Ga eens zitten, beveelt hij. Dit wijst op diepere gedachten.

Wat ga je later doen, cremeren of begraven?

Deze ingrijpende en totaal onverwachte vraag moet ik even verwerken. Moet ik hem zeggen dat mijn lichte voorkeur uitgaat naar cremeren?

Hij is me voor en beslist: begraven natuurlijk. Dan weet ik waar je ligt... je botjes en zo. Dan kan ik je bloemen brengen. Het is of ik de mening van zijn grootvader hoor.

Hij gaat weer zitten. Doe je het, vraagt hij met klem. Als ik het beloof, heeft hij me over het restje twijfel heen geholpen.

Wat fijn dat ik bloemen van je krijg, zeg ik uit de grond van mijn hart. Hij knikt en gaat liggen, de knuffelhond dicht tegen zich aan.

Als ik even later kijk, slaapt hij. Ik kan niet nalaten hem over zijn bol te strijken.