Beleefd, schuchter, en in onderbroek

De eerste Hongaar die ik in een onderbroek zag, stond in een smal, manshoog gat, met zijn voeten in de modder en net genoeg ruimte om te graven. Hij was op zoek naar een lek in de waterleiding. Het water spoot al twee uur lang de tuin in.

Niemand van onze door vijf gezinnen bewoonde villa wist waar de hoofdkraan zat (in een buurhuis, bleek later). Niemand had bovendien zin zijn handen vuil te maken. Een zakelijke buurman had een Transsylvaniër (een Hongaar uit Roemenië) van de straat geplukt om het lek te zoeken. Transsylvaniërs doen hier het vuile werk. Ze zijn veel geliefder dan Roemenen en Oekraïeners die ook in grote getale hun diensten aanbieden. Maar de Transsylvaniërs spreken Hongaars en begrijpen wat je wil. ,,Bovendien kun je dan nog eens wat voor je eigen mensen doen'', had mijn buurman gezegd die in zijn onmetelijke goedheid de magere jongen uiteraard schandelijk onderbetaalde.

Langzaam verdween het hoofd van de jongen onder de grond. Pas toen hij helemaal weg was, bleek zijn werk tevergeefs te zijn geweest. Hij had verkeerd gegraven. Het lek lag zeker twee meter verder. Bedremmeld stond hij in zijn vaal gekleurde onderbroek tot aan zijn knieën in de modder.

Indertijd hield ik de kleding van de jongen voor pure armoede. Het was logisch dat hij zijn broek niet vuil wilde maken en daarom in zijn onderbroek werkte. Wie kon hem immers zien in zijn kuil?

Dat was ook de belangrijkste reden, maar niet de enige. Toen ik een bejaarde buurman op een hete zomerdag eveneens in zijn onderbroek rond zag rond schuifelen, strookte dat nog steeds met mijn armoedetheorie. Ook oompje Pista had het niet breed. Waarom zou je je karige pensioentje weggooien aan frivoliteiten als een korte broek als je uitgezakte boxershort ook uitstekend voldoet? Ook oompje Pista liep niet voor zijn lol in zijn onderbroek. Om dat te onderstrepen verplaatste hij zich zuchtend en steunend van schaduwplek naar schaduwplek.

Maar deze zomer ben ik toch anders over het fenomeen Hongaar in onderbroek gaan denken. Het begon met mijn nieuwe huisbaas. Een man van middelbare leeftijd met mooi golvend grijs haar. Op de dag dat het huis werd overgedragen verscheen hij ongegeneerd in onderbroek. Het was klaarlichte dag en hij stond vrolijk voor het huis het gras te spuiten. Even dacht ik dat het een zwembroek was, maar de snit liet geen enkele twijfel toe. Uit het feit dat zijn hele lichaam van onder tot boven egaal gebruind was leidde ik af dat hij wel vaker zo rondliep. Van armoede kon ik de huisbaas met zijn witte Mercedes nauwelijks betichten. Het was dus niet dat hij geen korte broek kon kopen.

Nader contact met de nieuwe buren versterkte het gevoel dat de Hongaarse man graag zijn broek uittrekt. Autowassen, grasmaaien, alles gaat in de onderbroek. En er lijkt niets heerlijkers dan de hele dag in en rond het huis in je onderbroek te lopen. Lekker, zonder gêne over je overhangende buik of je regelmatig over het randje van je onderbroek kijkende bilspleet.

Langzaam maar zeker heb ik mijn armoedetheorie dan ook moeten laten varen. En toen ik laatst, op een snikhete dag, in een winkel een klant in zijn onderbroek zag wachten op zijn beurt, begreep ik dat het om iets heel anders gaat: het gaat om een gevoel van vrijheid. Als het warm is mag de toch veelal als tobber bekendstaande Hongaar eindelijk van zichzelf doen wat hij wil. Het is alsof de brandende zon dit volk dat na lange omzwervingen in een `zee van Slavische volkeren' terecht is gekomen, zijn zelfvertrouwen teruggeeft.

Hoe anders kan ik begrijpen dat de Hongaar, die zich normaliter uitput in excuses voordat hij überhaupt het woord tot je durft te richten, de voorkomende Hongaar die als een van de laatste volken op aarde een deur open houdt voor een vrouw en haar galant een kushand geeft of met zijn groet kézet csókolom (ik kus uw hand) de indruk wekt dat te gaan doen -, hoe kan het dat de beleefde, bezorgde, vaak geremde Hongaar dit alles afwerpt zodra de temperatuur de 25 graden bereikt en hij eindelijk zichzelf durft te zijn?

Het bovenstaande geldt overigens niet voor vrouwen. Die hebben een speciale garderobe bestaande uit uiterst korte rokjes en truitjes. Zodra het voorjaar wordt weten zij wat hun te doen staat. Ondergoed hebben ze daarvoor niet nodig. In wat vroeger Joegoslavië was gaan trouwens nog steeds hardnekkige geruchten over de Hongaarse vrouwen in de Vojvodina. Volgens de verhalen trokken de mannen uit het rijk van Tito, van Kroatië tot Macedonië, in het voorjaar massaal naar de Vojvodijnse stad Subotica (Szabadka in het Hongaars). Zij kwamen terug met wilde verhalen van beeldschone Hongaarse vrouwen die geen onderbroeken zouden dragen.