Arme landen zijn niet de dupe van globalisering

Acht maanden na de mislukte besprekingen over de wereldhandel in Seattle staat het draagvlak voor globalisering en vrijhandel nog steeds onder druk. Globalisering zou geen vooruitgang en ontwikkeling brengen, maar armoede en inkomensongelijkheid. Toch kunnen arme landen profiteren. Maar dan moet de EU wel over de brug komen, vindt Gerrit Ybema.

Critici van globalisering – opgevat als de ontwikkeling naar een mondiale economie zonder barrières voor internationale handel – spreken terecht hun verontrusting uit over de omvangrijke en verdiepte armoede op de wereld. Maar met het voorstel globalisering ten grave te dragen, kiezen zij het verkeerde doelwit. Recente studies van onder andere het Internationale Monetaire Fonds (IMF), de Wereldbank, de Wereld Handelsorganisatie (WTO) en de Verenigde Naties over de invloed van globalisering op de mondiale inkomensverdeling laten zien dat méér internationale handel tot méér economische groei leidt in rijke én in arme landen en dat handelsliberalising bovendien bijdraagt aan armoedebestrijding. Door globalisering en vrijhandel te verketteren, wordt uit het oog verloren dat een vrijere wereldhandel ook de ontwikkelingslanden voordelen kan bieden.

Toch slaan de armoedemeters nog altijd flink uit: op dit moment moeten 1,2 miljard mensen rondkomen van minder dan 2 gulden per dag. Dat is een volstrekt onacceptabele werkelijkheid. Vorige maand werd op de VN-top in Genève besloten dat het aantal mensen dat in armoede leeft in 2015 gehalveerd moet zijn. Het gaat hier om een typisch verdelingsvraagstuk: globalisering en het verder vrijmaken van de wereldhandel vergroten de welvaartstaart, maar verdelen deze niet. Het tegengaan van globalisering en het beperken van vrijhandel lost het vraagstuk van een rechtvaardige verdeling niet op. Sterker nog, de taart wordt dan alleen maar kleiner.

Drie factoren kunnen ervoor zorgen dat de door globalisering en vrijhandel gecreëerde welvaart ook arme landen en groeperingen ten goede komt.

Allereerst gaat het om de wijze waarop regeringen van ontwikkelingslanden orde op zaken stellen in hun land. Landen die het relatief goed doen op de armoedeladder, richten hun beleid op het verbeteren van onderwijs en gezondheidszorg, het bestrijden van corruptie en het openen van markten. Ook inflatiebestrijding verbetert de positie van de lagere inkomensgroepen. Bestrijding van armoede – lees: het verdelen van welvaart – gaat dus beter bij behoorlijk binnenlands beleid.

Ten tweede hangt de verdeling van welvaart samen met de vorm die ontwikkelingssamenwerking – een manier om welvaart tussen landen te (her)verdelen – heeft. De behoeften en mogelijkheden van ontvangende landen moeten centraal staan. Voeren de belangen van donorlanden de boventoon, dan gaat het minder.

De derde factor is van een andere orde, maar niet minder belangrijk. Het internationaal opererende bedrijfsleven is een speler van formaat en moet worden aangesproken op zijn rol in ontwikkelingslanden.

Ook Europees commissaris Lamy wijst (Opiniepagina, 11 juli) op het nut van handelsliberalisering voor ontwikkeling en het bestrijden van armoede. En ook hij is van mening dat die liberalisering op zichzelf genomen niet voldoende is, maar gepaard moet gaan met adequaat binnenlands beleid en internationale samenwerking. Op twee punten schiet zijn betoog echter tekort.

Allereerst is zijn stelling dat de logica van de liberalisering niet zomaar kan worden toegepast op de landbouwsector aanvechtbaar. De reden die Lamy aanvoert is dat landbouw ook andere doelen dient zoals landschapsbeheer, agrarisch gebruik en voedselzekerheid. Natuurlijk dient landbouw naast economische, ook andere doelstellingen. Maar dit mag niet uitmonden in de conclusie dat er geen plaats is voor marktwerking in het Europese landbouwbeleid. En dit mag er niet toe leiden dat de torenhoge invoerbarrières en de export- en interne subsidies waarmee de Europese Unie de wereldmarkt soms ernstig verstoort, blijven bestaan. Zeker niet als bedacht wordt dat de EU juist met die maatregelen ontwikkelingslanden berooft van de mogelijkheid hun agrarisch exportpotentieel ten volle te benutten. De landbouwsector deels uitsluiten van liberalisering staat haaks op het doel van het verkleinen van de welvaartskloof tussen en binnen landen.

Verder valt wat af te dingen op Lamy's idee de verdere liberalisering van de vrijhandel afhankelijk te maken van de gelijktijdige vooruitgang in de ontwikkeling van internationale normen op het gebied van milieu, gezondheid en arbeid. Internationale ontwikkeling van normen is een goede zaak, maar het ophogen van milieu- of arbeidsnormen heeft nogal wat voeten in aarde. En als industrielanden aan ontwikkelingslanden tot die tijd de toegang tot markten onthouden, blijft ook de armoedekloof bestaan.

Lamy legt te veel nadruk op het belang van een `gelijk speelveld'. Hij lijkt te suggereren dat de industrielanden hun markten niet kunnen openen voor ontwikkelingslanden zolang daar niet dezelfde strenge normen gehanteerd worden als in het Westen. Ontwikkelingslanden zouden dan een oneerlijk concurrentievoordeel hebben, en Westerse producten, die wel aan die hoge normen moeten voldoen en dus duur zijn, uit de markt prijzen.

Ik ben het niet eens met deze redenering. Er zijn situaties waarin het verschil in normen tussen landen verdedigbaar is. Zo is het logisch dat emissienormen in een dichtbevolkt land strenger zijn dan in een land waar weinig mensen wonen. En iedereen begrijpt dat het minimumloon in Nederland te hoog gegrepen is voor een werknemer in Bangladesh. Toch zijn dit soort normverschillen geen reden om producten uit ontwikkelingslanden van de markten van de industrielanden te weren.

Door markttoegang zo sterk te koppelen aan het behalen van hoge normen, dreigen Westerse landen voorbij te gaan aan de oorzaken die ten grondslag liggen aan milieudegradatie of kinderarbeid. Het is de bittere armoede die kinderen ertoe dwingt te werken in plaats van te leren, en het is armoede die producenten ertoe brengt te vervuilen in plaats van schoon te werken. Als de industrielanden willen dat ook ontwikkelingslanden zichzelf hogere normen opleggen, moet het Westen doorgaan met het bestrijden van de armoede. Verdere liberalisering van de handel is hiervoor een belangrijke voorwaarde.

G. Ybema is staatssecretaris van Economische Zaken.