Nooit iets anders dan moord en brand

Guido van Heulendonk schrijft mooi en niet te moeilijk. Hij houdt een prettig midden tussen realisme en modernisme. Hij komt vaak geestig uit de hoek en heeft in het algemeen iets droogkomieks in zijn manier van vertellen, zonder dat je hem nu een lolbroek kunt noemen. Eerder is hij wat zwaar op de hand, maar dat ook weer niet te veel. Als hij een van zijn romanfiguren in Paarden zijn ook varkens (1995) laat verzuchten dat het `nooit iets zou worden met deze eeuw', dan hoeft daar nog niet uit geconcludeerd te worden dat men in deze roman berust in dit cultuurpessimisme en maar wat bij de pakken neerzit.

Ook is hij goed in de sfeervolle anekdote. In zijn nieuwe roman, Buiten de wereld, kan men onder meer `de bellenman' aantreffen: de jongen uit de hoogste klas van de lagere school, eerste helft van de jaren zestig, ergens in Oostvlaanderen, die uitverkoren was om die dag de bel te luiden. Een groot voorrecht, alleen al omdat hij in zijn eentje, terwijl de lessen nog aan de gang waren, het onwezenlijk kalme schoolplein mocht opschrijden met de bel, wetend dat hij de strenge meesters achter de ramen er straks mee tot zwijgen zou gaan brengen. Want hij heeft de macht, zoals Van Heulendonk het in een fraaie tegenstelling weet uit te drukken, om `deze wereld van orde en verbod om te zetten in een anarchie van getier, rennende voeten, vallende tassen, botsende lichamen, rammelend metaal in de fietsenstalling.'

Mooi is ook de passage waarin Up, de hoofdfiguur, die allang gestopt is met roken, tijdens een receptie ineens tot zijn eigen verbazing een sigaar accepteert en daar vervolgens totaal geen raad mee weet. `De strontkleurige staaf zat onhandig en dik tussen zijn vingers' staat er dan, `en zuigen vormde helemaal een probleem. Zijn mond had zich, ondanks de nu al tien rookloze jaren, spontaan ingesteld op de diameter van een mentholfilter, zodat hij het gevoelen had een flessenhals tussen zijn lippen te hebben.' Op deze aanschouwelijke manier maakt Van Heulendonk duidelijk dat zijn held zich niet helemaal op zijn gemak voelt tijdens de tweejaarlijkse reünies van zijn middelbare schoolklas.

In 36 korte hoofdstukken krijgen we bij stukken en beetjes en in willekeurige volgorde een beeld van het leven van Up. Het vergt enig puzzelend vermogen om van de stukken en beetjes een min of meer kloppend geheel te maken. De grondslag voor dat leven, waarin scènegewijs zijn huwelijk, werk, generatieconflict met de kinderen, jeugd, hippietijd en visie op de wereld worden behandeld, vormen de nostalgische herinneringen aan Oudebeke, het dorp van herkomst. Volgens een oude overlevering lag het dorp `buiten de wereld', omdat het ooit bij een pestepidemie door goddelijk ingrijpen gespaard zou zijn gebleven. Naar dit buiten-de-wereld-gevoel blijft Up steeds op zoek, en ook wel naar tekenen van uitverkorenheid. Aanvankelijk ziet hij in de schilderijen, gedichten en muziekstukken die hij in de avonduren maakt een mogelijkheid om boven zichzelf uit te stijgen, maar later raakt hij steeds meer in een creatieve impasse. Een komische rode draad in de roman vormt het geworstel met een schilderij dat toch al te Bacon-achtig was en dan ook nog steeds meer op een van diens pausschilderijen begint te lijken. Ook zien we hem steeds opnieuw in de weer met een referaat dat hij voor zijn voormalige klasgenoten wil houden en waarmee hij alle voorgaande sprekers naar de kroon wil steken. Zijn probleem is alleen dat hij te veel onderwerpen heeft, die geen van alle van de grond willen komen. Dat is ook meteen zijn levensprobleem: hij heeft talent genoeg, maar slaagt er niet in om in één ding uit te blinken.

Buiten de wereld is een geanimeerde roman die voor elk wel wat wils heeft: sympathieke figuren, een zeker engagement met buitenlanders, sociaal zwakkeren en bejaarden, interessante verwijzingen naar de actualiteit, voor de poezenliefhebbers zijn er de intermezzo's over de weggelopen poes Nana, kleine wetenschappelijke uitstapjes aan de hand van Hawking, en dit alles gevat in een soepele, lichtvoetige stijl. Er valt eigenlijk op deze roman niets aan te merken, behalve dan misschien dat de urgentie ervan een lezer wel eens zou kunnen ontgaan. Hoe serieus, met andere woorden, moet men Van Heulendonks hoofdpersoon nemen, die het ogenschijnlijk zo getroffen heeft met alles: goed huwelijk, goede baan, goede vooruitzichten, creatief begiftigd bovendien en die toch niet tevreden is met het leven.

Men moet zich enigszins inspannen om de zweem van treurnis, desillusie en wanhoop te ontdekken die over de bladzijden hangt. Ogenschijnlijk is Buiten de wereld een heel aardse roman, vol alledaagse besognes, maar er spreekt ook een heimelijk verlangen uit naar het buitenwereldse, het hogere, naar volmaakte liefde, het alles omvattende inzicht, het grote kunstwerk dat alle andere kunstwerken overbodig maakt, naar erkenning ook van hogerhand. Verheffing, dat is het ouderwets klinkende parool van dit boek, de drang om zichzelf en de wereld vooruit te helpen. Veel hoop op verbetering moeten we intussen niet koesteren.

Stiekem bewondert Up een van zijn politiek bewuste kinderen die zich actief inzet om misstanden aan de kaak te stellen. Maar zelf weet hij allang dat leven gelijk staat met `collaboreren', en dat er `sinds Alta Mira' nooit iets anders is geweest `dan moord en brand en verkrachting op elke breedtegraad'. Het kunstenaarschap in deeltijd lijkt voor hem dan ook het hoogst haalbare. Alleen op papier, en dus niet in het echt, valt er van de wereld misschien nog wel iets fatsoenlijks te maken.

Guido van Heulendonk:

Buiten de wereld.

De Arbeiderspers, 274 blz. ƒ39,90