Denken voorbij de grens

Op 16 november 1944 schreef Ludwig Wittgenstein een brief aan zijn voormalige student Norman Malcolm, die op dat ogenblik zijn dienstplicht vervulde in de Amerikaanse marine. Hij kwam daarin terug op een opmerking die Malcolm vijf jaar eerder gemaakt had over `de Engelse volksaard' en die – zo schreef Wittgenstein in 1944, `mij schokte door de primitiviteit ervan. Ik dacht toen: wat heeft het voor zin om filosofie te studeren als het enige wat het oplevert is dat je met enige mate van plausibiliteit over een paar duistere vraagstukken uit de logica kunt praten, etc, & als het je denken over de belangrijke kwesties van het dagelijks leven niet verbetert.'

Deze brief van Wittgenstein is er één van de ruim 1700 die bewaard zijn gebleven en die her en der in deel-correspondenties zijn uitgegeven. Daaruit koos de Antwerpse hoogleraar Joachim Leilich er 244, die werden samengebracht in een bloemlezing die het hele leven van Wittgenstein beslaat, vanaf het moment waarop hij in Cambridge filosofie was gaan studeren, tot zijn dood in 1951. We zien de filosoof in al zijn neerslachtigheid en soms onuitstaanbare arrogantie, zijn meedogenloze veeleisendheid, zelfverachting en verlangen naar het absolute, zowel in religieuze als in ethische zin.

Binnen de analytische filosofie is Wittgenstein behalve met bewondering ook altijd met enige argwaan bekeken. Men erkende zijn brille op het vlak van de logica en de taalfilosofie, maar zijn persoonlijkheid liet vermoeden dat het hem uiteindelijk om iets anders te doen was. Berucht is zijn ontmoeting met de leden van de neopositivistische Wiener Kreis in de jaren twintig, die hem hadden uitgenodigd voor een discussie over zijn Tractatus Logico-philosophicus en tegenover wie hij tot hun stomme verbazing poëzie begon voor te dragen van de mystieke dichter Rabindranath Tagore.

Vaak heeft men dan ook een scheiding willen aanbrengen tussen de professionele filosoof Wittgenstein en de existentieel en religieus gekwelde mens, wiens `levensvragen' en persoonlijke documenten geen bijzondere betekenis zouden hebben voor zijn eigenlijke filosofie. Als dat waar was, zou ook de nu verschenen brievenselectie hoogstens goed zijn voor een soort filosofisch voyeurisme en niet bijdragen tot begrip voor datgene waarom het Wittgenstein uiteindelijk te doen was.

Die gedachte is niet vol te houden. Hoeveel misverstanden waren de leden van de Wiener Kreis niet bespaard gebleven, wanneer ze Wittgensteins brief aan Ludwig von Ficker, de beoogde uitgever van de Tractatus, onder ogen hadden gehad. `[Dit] boek heeft een ethische betekenis', zo lichtte hij toe. `Mijn studie bestaat uit twee delen: uit datgene wat er feitelijk in staat en uit alles wat ik niet geschreven heb. En dat tweede deel is nu juist het belangrijkste.' In plaats daarvan moesten de lezers het doen met de beroemde opmerking: `Wat gezegd kan worden, kan duidelijk worden gezegd; en waarover men niet spreken kan, daarover moet men zwijgen.' Dat de leden van de Wiener Kreis dat niet onmiddellijk begrepen, kan hen moeilijk kwalijk worden genomen.

Nationaal karakter

Daarom is de brief van Wittgenstein aan Norman Malcolm zo belangrijk. Onomwonden maakt hij daarin duidelijk wat de inzet van zijn filosofie is. Die ligt er niet in dat je `met enige mate van plausibiliteit over een paar duistere vraagstukken uit de logica kunt praten', schrijft hij. Ze ligt daarentegen in het verbeteren van `de belangrijke kwesties van het dagelijks leven'. Praten over een `nationaal karakter' was voor Wittgenstein zo'n kwestie. Hij beschouwde het toeschrijven van algemene kenmerken op een grote groep mensen ronduit als gevaarlijk. Tegen de achtergrond van de Tweede Wereldoorlog had hij daar alle reden toe, maar simpel is die kwestie daarmee nog niet. We kunnen het doen van algemene uitspraken nu eenmaal niet zonder meer verbieden, want daarmee zou de taal zelf teloor gaan. De vraag wanneer we mogen veralgemeniseren, vooral ten aanzien van groepen mensen, en wanneer niet, ligt dus niet op het niveau van de logica, maar op dat van de praktische prudentie.

Nadenken over `zekerheid', `waarschijnlijkheid', `waarneming' is op zichzelf al heel lastig, zo vervolgt Wittgenstein zijn brief aan Malcom. `Maar het is zo mogelijk nog veel moeilijker na te denken, proberen na te denken, werkelijk oprecht, over je leven & het leven van anderen. En het vervelende is dat over deze dingen na te denken niet opwindend is, maar vaak regelrecht lastig. En als het lastig is, is het uiterst belangrijk.' En daarom `zou het verkeerd zijn het praten over serieuze, niet-filosofische zaken uit de weg te gaan.'

Met die laatste opmerking lijkt ook Wittgenstein zelf een onderscheid te maken tussen levensproblemen en filosofische problemen. Tot op zekere hoogte is dat natuurlijk een kwestie van definitie. Dan staat Wittgensteins definitie van een gespecialiseerde, professtionele filosofie tegenover een meer gangbare, die `levensvragen' nu juist als de kernopdracht van de filosofie beschouwt. Maar zo'n definitie is niet zonder gevolgen. Want wie de `professionele' opvatting volgt, laat de levensvragen al snel over aan de godsdienst, de literatuur of een geseculariseerd soort gevoelsmystiek, waarin de rationaliteit – opgezogen door de professionele filosofie met haar quasi-wetenschappelijke status – vaak ver te zoeken is.

Inderdaad heeft de filosofie zich – in haar academische vorm – in belangrijke mate langs deze lijnen ontwikkeld. Maar een wenselijke ontwikkeling is dat niet. Niet alleen laat ze de levensvragen daarmee aan hun stuurloze lot over en maakt ze zichzelf steeds ontoegankelijker, maar beide verliezen ook elke relevantie voor elkaar. Het resultaat is een soort schizofrenie, waarin aan de ene kant steeds slimmer gedacht wordt over dingen die er steeds minder toe doen, en aan de andere kant helemaal niet meer gedacht maar alleen nog `gevoeld' wordt over dingen die – daarin heeft Wittgenstein gelijk – uiterst belangrijk zijn. Wanneer Wittgenstein de filosofie weinig waarde toedicht wanneer ze niet bijdraagt aan inzicht in deze belangrijke kwesties, had hij haar grens beter wat poreuzer kunnen laten dan hij gedaan heeft. Dat was hem wellicht ook zelf ten goede gekomen. Wie Wittgensteins brieven leest, ontkomt niet aan de indruk dat juist de scherpte van deze tweedeling heeft bijgedragen aan zijn overtrokken hang naar zuiverheid en aan de reddeloze en vaak ook radeloze mystiek waarin die werd beleden. Zelf had hij dat `mystieke' in de Tractatus zo scherp afgegrensd dat er zelfs niet meer over te praten viel, maar daarmee was ook elke correctie daarop uiterst moeilijk geworden.

Icoon

Het is waar dat hij die visie later heeft herzien, maar onder de gevolgen ervan is hij altijd blijven lijden. Dat heeft hem tot een icoon van de filosofie gemaakt: een wijsgerig genie naar negentiende-eeuwse gestalte en bijna een moderne heilige. Maar het heeft de oplossing van de `levensvragen' waarmee hij worstelde niet naderbij gebracht. Daarvoor was hij, juist dankzij zijn dualisme, teveel gefixeerd op het absolute, terwijl prudentie juist om het betrekkelijke vraagt. Voor wie in dat laatste een authentieke opdracht van de wijsbegeerte ziet, heeft het afbakenen van een `zuivere filosofie' even weinig zin als het afgrenzen van een ethiek of een godsdienstigheid waarover niet te spreken valt.

Wittgenstein heeft daarover tenslotte toch gesproken, zij het in het verborgene van zijn brieven en zijn dagboeken. Daarin komen zijn worstelingen rond het goede en het goddelijke, die hij uit zijn `echte' geschriften verbannen had en waarnaar die laatste alleen maar zwijgend konden wijzen, bijna clandestien aan het woord. Wie Wittgensteins hele denken ernstig neemt, zal om die documenten niet heen kunnen. Ze bieden iets ongeziens: niet omdat ze zich lenen voor biografisch voyeurisme, maar omdat Wittgenstein daarin filosofisch denkt aan beide zijden van de door hemzelf getrokken grens.

Ludwig Wittgenstein: Brieven. Gekozen en bezorgd door Joachim Leilich. Vertaald door Hans Driessen. Wereldbibliotheek, 254 blz. ƒ49,90

    • Ger Groot