Bijvoorbeeld een obelisk

Op 1 juli volgend jaar moet Nederland een nationaal slavernijmonument hebben. Maar hoe dat er uit moet zien, welke kunstenaar het gaat maken, waar het zal komen: daarover zijn de meningen verdeeld.

,,Als ik in de spiegel kijk, zie ik Afrika.'' Barryl Biekman komt uit Suriname en woont al jaren in Nederland, maar haar inspiratie komt van elders. Malcolm X is vijfvoudig aanwezig in haar woonkamer, in de hal hangt een portret van Marcus Garvey. Veel heeft ze geleerd van de Nederlandse vrouwenbeweging, maar de zwarte emancipatiebeweging in de Verenigde Staten bracht haar terug naar wat zij beschouwt als de bron van de Afrikaanse beschaving. ,,Je denkt toch niet dat ik het moet doen met Wijdenbosch en Venetiaan? Mijn beschaving gaat veel verder terug. Mijn identiteit begint in Afrika, Egypte is mijn vertrekpunt. De moeder van Toetanchamon is mijn rolmodel.''

Barryl Biekman is voorzitter van het Landelijk Platform Slavernijverleden en een van de initiatiefnemers van het nationaal monument slavernijverleden. Het platform vertegenwoordigt circa twintig Afrikaanse, Surinaamse en Antilliaanse belangenorganisaties en is de gesprekspartner van de overheid. Biekman weet hoe het monument er uit moet gaan zien. ,,Een obelisk, iets anders kan ik me niet voorstellen.'' In het klassieke Egypte stonden obelisken aan weerszijden van een tempel, vierkante zuilen met een kleine piramide op de taps toelopende top. De bekendste moderne obelisken staan op het Plâce de la Concorde in Parijs en in Washington, als monument voor de eerste Amerikaanse president. Voor Biekman is de obelisk hét symbool voor Afrikaans cultuurgoed dat door Europa is `ontvoerd. ,,De kunstenaar die het monument gaat maken moet mijn droom volgen. Mijn voorouders hebben mij in een droom verteld dat het een obelisk moet worden.''

Nederland krijgt een monument ter herdenking van de slavernij. Een monument uit twee delen, een instituut en een gedenkteken. Het gedenkteken komt in Amsterdam en moet op 1 juli 2001 worden onthuld. Dit is een maand geleden, op 1 juli, vastgelegd in een overeenkomst tussen het rijk en de gemeente Amsterdam. De precieze plaats is nog niet bekend, maar de gemeente Amsterdam heeft vier locaties op het oog. Het rijk betaalt in ieder geval de stichtingskosten en de plaatsing, Amsterdam betaalt het onderhoud. In het instituut komt waarschijnlijk ruimte voor onderzoek, onderwijs en een permanente expositie.

Verschillende instanties buigen zich op dit moment over aard en vorm van het gedenkteken. Die zijn al snel gestuit op het probleem waar veel monumentenontwerpers van de laatste jaren mee kampen. De direct betrokkenen willen het liefst een kunstwerk dat hun thema verbeeldt en verwijst naar de geschiedenis, zoals Biekman met haar obelisk. De vertegenwoordigers van de kunstenaars daarentegen willen een beeld dat ook standhoudt als modern, onafhankelijk kunstwerk, geen `pop op een sokkel'. Maar dat geeft voor de betrokkenen weer te weinig uitdrukking aan het onderwerp.

Het begon twee jaar geleden met een aan het kabinet aangeboden petitie van de Afro Europese vrouwenbeweging Sophiedela, voorgezeten door Biekman en vernoemd naar de eerste Surinaamse huisarts Sophie Redmond en Winnie Mandela. De groeiende aandacht voor slavernij, ook internationaal, maakte de politici enthousiast. Begin vorig jaar nam het Franse parlement een verklaring aan waarin slavenhandel en slavernij werden bestempeld als misdrijf tegen de menselijkheid, en waarin werd opgeroepen om via Raad van Europa en Verenigde Naties te komen tot een mondiale herdenkingsdatum.

Keti koti

Nederland is bezig met een inhaalslag. De tijd is kennelijk rijp voor erkenning van een lang onderbelichte `zwarte bladzijde uit onze geschiedenis': de transatlantische slavenhandel en de slavernij op plantages in Suriname en de Antillen. In de 17de en 18de eeuw brachten Zeeuwse en Hollandse schepen zo'n half miljoen slaven van Afrika naar de Amerika's; ruim 200.000 slaven gingen naar Suriname, 90.000 naar Curacao. Op 1 juli 1863 werd de slavernij, relatief laat, in de toenmalige koloniën afgeschaft. Jaarlijks herdenkt en viert de Surinaamse gemeenschap die dag met `keti koti', het `verbreken van de ketenen'. Op de Antillen gebeurt dat op 17 augustus, verwijzend naar een slavenopstand in 1795.

Het monument krijgt een dubbele functie: het moet zowel het Nederlandse slavernijverleden als de huidige multiculturele samenleving symboliseren. Enerzijds is het bedoeld voor de nazaten van de slaven, anderzijds voor de Nederlandse samenleving als geheel. En, in de woorden van verantwoordelijk minister Van Boxtel: ,,Het is daarbij nadrukkelijk niet de bedoeling om hiermee een tegenstelling te introduceren, maar om – integendeel – begrip en samenhang tussen medeburgers te versterken.''

Erkenning van de verbondenheid tussen Suriname, de Antillen en Nederland, dat is voor de meeste betrokkenen de essentie van het op het richten monument. Maar de accenten verschillen. Voor de een moet het monument vooral getuigen van misstanden in het verleden, voor de ander van beloften in de toekomst. Voor Barryl Biekman gaat het vooral om `detraumatisering', verlossing van het collectieve trauma waar de nazaten van de slaven mee te maken hebben. Daarnaast vindt ze het belangrijk dat het geschiedenisonderwijs wordt bijgesteld, dat het Nederlandse `taboe op slavernij' wordt opgeheven.

Gilbert Wawoe, lid van de Raad van State en voorzitter van het Comité van Aanbeveling Nationaal Monument Slavernijverleden, kijkt graag vooruit. ,,Voor mij betekent het monument de afsluiting van een periode van zwijgen.'' Wawoe, zelf een zwarte Antilliaan met, zoals veel Antillianen, plantagehouders onder zijn voorouders: ,,We zijn geen slachtoffers. Toen wel, maar nu niet meer. Het is onzin om de huidige achterstand van zwarten terug te voeren op het slavernijverleden. Wees niet passief, maak gebruik van de gelijke rechten die in de grondwet zijn vastgelegd.''

Niet iedereen is blij met het monument. Winston Kout is voorzitter van het Amsterdamse 30 juni/1 juli comité. Al negen jaar organiseert dit comité goedbezochte herdenkingen op het Surinameplein in Amsterdam-West, en wat Kout betreft zijn die bijeenkomsten het echte monument. Het nationaal monument is in zijn ogen overgenomen door de overheid, komt niet langer voort uit de gemeenschap zelf. Kout: ,,De regering heeft geen visie, ze weten helemaal niet wat ze met dat monument willen. Voor ons gaat het om veel meer dan alleen het slavernijverleden, het gaat om de erkenning dat Suriname en Nederland onverbrekelijk met elkaar zijn verbonden. Nederland heeft daardoor bepaalde verantwoordelijkheden.'' Als de Nederlandse regering het slavernijdossier werkelijk wil sluiten, moet men gaan praten met de Surinaamse regering, aldus Kout. En het zou niet vreemd zijn als daarbij een vorm van herstelbetaling ter sprake komt. Als enige vindt Kout dat excuses van Nederland gewenst zijn. ,,Ik ben rooms-katholiek, in de kerk begin je de Heilige Mis ook met een schuldbelijdenis, dat is een vorm van beschaving.''

Elders bestaan al monumenten ter herdenking van de slavernij. Een realistisch beeld van een ontketende slaaf, dat is het archetype. Zo heeft Paramaribo sinds 1963 het beeld van Kwakoe, de eerste vrije zwarte grondbezitter, en werd twee jaar geleden in Willemstad het monument Desenkadená (`Ontketen') onthuld, geïnspireerd door opstandelingenleider Tula. Drie mensen in brons, de middelste staat op het punt om de andere twee van de ketenen te ontdoen. Gert Oostindie, hoogleraar Caraïbische Studies, heeft in publicaties gewezen op de tegenstelling tussen debat en beeld: waar in het eerste de nadruk ligt op slachtofferschap en trauma, gaat het bij de beelden om kracht en bevrijding.

Erg waarschijnlijk is zo'n realistische variant niet in Nederland. In een voorschot op het echte advies heeft Wawoe tegenover Van Boxtel al een voorkeur uitgesproken voor een gulden middenweg. Het beeld hoeft niet figuratief te zijn, het kan gestileerd zijn. Anderzijds moet het weer niet zo abstract zijn dat niemand het herkent. Wawoe: ,,De vormgeving van het homo-monument bij de Amsterdamse Westerkerk gaat mij bijvoorbeeld te ver. Daar heb je niet door dat je op een monument loopt.''

Geen ontketen-beeld

Henk Jan Gortzak, directeur van het Amsterdams Fonds voor de Kunst: ,,Goddank heeft nog niemand gepleit voor zo'n slaaf die zich van de ketenen bevrijdt, zon keti koti-beeld.'' Het Fonds coördineert de selectie van de kunstenaar, de beoordeling van de ontwerpen en de uitvoering van het kunstwerk. Gortzak: ,,Wij moeten voorkomen dat de kunstenaar de dupe wordt van de vele maatschappelijke krachten die hier een rol spelen. Gedreven door haast en passie is men tot nu toe weinig professioneel omgegaan met het zoeken naar kunstenaars.''

Het Amsterdams Fonds voor de Kunst is een van de vier instanties die zich met de selectieprocedure bemoeit. Een begeleidingscommissie, bestaande uit vertegenwoordigers van de ministeries van OCenW en Binnenlandse Zaken, de gemeente Amsterdam en het Landelijk Platform Slavernijverleden, zorgt voor een groslijst met kandidaat-kunstenaars. De lijst wordt ingedikt door een vijftal deskundigen op het gebied van kunst in de openbare ruimte, waaronder Gortzak. Na allerlei tussentijdse adviezen is het Comité van Aanbeveling verantwoordelijk voor het definitieve advies aan het rijk. Maar, zo benadrukt Biekman, de begeleidingscommissie heeft het laatste woord. En binnen die commissie laat Van Boxtel elke beslissing aan de initiatiefnemer, het Landelijk Platform.

Op de groslijst prijken op dit moment een kleine twintig kunstenaars. Onder hen is Wayne James, niet alleen mode-ontwerper en kookboekenschrijver uit New York, maar ook de geestelijke vader van het Middle Passage Monument. Uitgaande van de gedachte dat de bodem van de Atlantische Oceaan – de vaarroute tussen Afrika en Amerika heet de Middle Passage – is bezaaid met overblijfselen van tijdens het transport omgekomen slaven, heeft James vorig jaar een enorme stalen triomfboog naar de zeebodem, ten noordoosten van de Bermuda's, laten zinken. De symbolische grafsteen was ontworpen door een multiraciaal team van zeven kunstenaars op St. Croix in de Maagdeneilanden. De komende vijf jaar zal elk jaar een replica van het monument worden geplaatst op een continent dat met de slavernij verbonden is geweest.

De overige kunstenaars zijn overwegend van Surinaamse of Antilliaanse afkomst, zoals Remy Jungerman, Edwin de Vries en Geraldo Steven Pinedo. Nel Simon is de maker van het slavernij-monument op Curaçao, Nelson Carrilho maakte het Kerwin Duinmeijer-monument in het Vondelpark. Alleen Peter Struycken behoort tot het gevestigde witte kunstcircuit. Afkomst is geen doorslaggevende factor, vindt Barryl Biekman, maar zelf heeft ze een voorkeur voor kunstenaars die met mensen uit verschillende culturen werken. Biekman: ,,De artistieke kwaliteit is heel belangrijk, het moet aansprekend zijn, niet leiden tot afschuw.'' Een obelisk bijvoorbeeld.

Henk Jan Gortzak, geconfronteerd met de droom van Barryl Biekman: ,,Als het per se een obelisk moet worden, kan de hele procedure overboord. Het convenant stelt voorwaarden aan de inhoud van het beeld, niet aan de vorm. Als je vormsuggesties meegeeft, moet je een ambachtsman vragen, geen kunstenaar.'' Maar Gortzak maakt zich geen zorgen. ,,Kijk naar het Dachau-monument van Niek Kemps in het Amsterdamse Bos. Ook daar wisten de opdrachtgevers precies hoe het er uit moest zien. Het werd iets heel anders en iedereen is er gelukkig mee. Het is aan ons om te zorgen dat de alternatieve voorstellen zo goed worden dat mevrouw Biekman haar obelisk vergeet.''

De huidige longlist zal door de deskundigen worden teruggebracht tot een shortlist met hooguit vijf kunstenaars, die gevraagd zullen worden om een schetsontwerp te maken. Volgens Gortzak is het ,,in theorie mogelijk dat de shortlist op geen enkele manier overlapt met de longlist'', dat er dus vijf nieuwe kunstenaars worden gekozen. De shortlist wordt pas gemaakt als, uiterlijk 1 september, een locatie is gekozen.

Ook Jaap van der Aa benadrukt de samenhang tussen beeld en locatie. Binnenkort nodigt hij de begeleidingscommissie uit voor een excursie langs vier mogelijke locaties in Amsterdam: het pleintje achter het West Indisch Huis aan de Haarlemmerstraat, het Beursplein tussen Beurs van Berlage en Bijenkorf, de nog onbebouwde westpunt van het Java-eiland en het Oosterpark, naast het Tropeninstituut.

Twee van deze opties zijn niet erg waarschijnlijk, voegt Van der Aa er aan toe. Achter het West Indisch Huis (Gortzak: ,,Inhoudelijk de beste plek. Ook goed voor die witten die daar wonen om één keer per jaar duizend zwarten te zien!'') is nu een kinderspeelplaats en Van der Aa heeft Van Boxtel al laten weten dat er niets moeilijker is dan het verwijderen van een speelplaats uit de binnenstad. Het Java-eiland valt eigenlijk ook af: als het monument temidden van de grootschalige nieuwbouw in het oostelijk havengebied zichtbaar wil zijn, moet het wel heel monumentaal worden. Het voordeel van de overige twee locaties is dat een eventueel centrum kan worden ondergebracht in de Beurs van Berlage of het Tropeninstituut.

Het in het convenant vastgelegde tijdpad, met onthulling binnen een jaar, is kort. Te kort, geeft Van der Aa toe. Diplomatiek: ,,Er bestaat een reële mogelijkheid dat het monument er op 1 juli 2001 nog niet is.'' Vrij vertaald: het is uitgesloten dat het er dan is. De vastgelegde datum geeft blijk van het streven om de vaart er in te houden, maar snelle realisering van zo'n monument in de Amsterdamse binnenstad, waar omwonenden ongetwijfeld procedures gaan beginnen, is onmogelijk.

Gekibbel

En hoe staat het met het aangekondigde monument op het Surinameplein, dat eveneens door de gemeente Amsterdam wordt ondersteund? Van der Aa: ,,Stadsdeel De Baarsjes moet nog een besluit nemen over de herinrichting van het plein. Misschien gebeurt dat over twee jaar, misschien gaat het op de lange baan. In het laatste geval kan men alvast beginnen aan het Surinameplein-monument.''

Er lijken dus twee slavernij-monumenten in aantocht: een landelijk en een lokaal initiatief, allebei in Amsterdam. Toch niet, want het comité van Winston Kout heeft geen concrete plannen. Waarom staat er dan op dat paaltje op het Surinameplein dat er een monument komt? Kout: ,,We hebben een voorspelling gedaan. Er komt ooit een monument, en we praten met stadsdeel De Baarsjes over een nieuw Surinameplein. Dat nieuwe plein is al een monument op zich, misschien zetten we er iets neer. Een boom of zo. We hoeven geen beeld dat niemand iets zegt. Het gaat niet om wat er staat, het gaat om wat er in de geest is.''

Gilbert Wawoe betreurt het dat het niet mogelijk is gebleken om alle partijen op één lijn te krijgen. ,,Als Comité van Aanbeveling fungeren we als buffer tussen de organisaties en de overheid, omdat al die organisaties niet met één mond kunnen spreken. Al dat gekibbel is dieptriest, maar het zal het proces niet schaden. Als men ons gaat verwijten dat we ons hebben laten leiden door Europese ideeën over kunst, dan luidt mijn verweer dat we in Nederland wonen en dat het monument voor iedereen herkenbaar moet zijn."

De tegenstelling tussen zwarte belangenorganisaties en witte kunstadviseurs hangt als een doem boven het nationaal monument slavernijverleden. Henk Jan Gortzak: ,,Die tegenstelling is er zeker, maar we staan voor hetzelfde doel: een zo goed mogelijk kunstwerk dat vorm geeft aan een zwarte bladzijde van onze geschiedenis. We zijn het stadium voorbij dat we bang zijn voor ruzie.''

Het Minsterie van Binnenlandse Zaken

heeft een website geopend over het nationaal monument slavernijverleden: www.slavernijmonument.nl.

Landelijk Platform Slavernij: www.platformslavernij.nl

Op de bodem van de Atlantische oceaan ligt een internationaal slavernijmonument

Peter Struycken is de enige kunstenaar op het lijstje uit het gevestigde blanke circuit