Wijlen onze betreurde Bach

Volgende week vrijdag is het 250 jaar geleden dat de grootste klassieke componist van Europa, Johann Sebastian Bach, overleed. Was hij een geniale ambachtsman, een muzikale geleerde, de mysterieuze `wetgever van de ware harmonie'? Drie specialisten schreven elk hun lijvige biogafie.

Het is mogelijk dat niet alle musici in God geloven, maar in Bach geloven ze allemaal, schreef Mauricio Kagel in 1980 boven zijn Sankt Bach Passie, waarin hij Bach afschildert als de muzikale Mozes, de symbolische oervader voor componisten en het summum van muziek voor de luisteraar. Goethe formuleerde het anders, nadat hij in 1827 dankzij een organist in Berka voor het eerst `bij volkomen gemoedsrust en zonder storende factoren' met de muziek van Bach in aanraking was gekomen: `Het is alsof zich binnen de eeuwige harmonie een innerlijke dialoog afspeelt gelijk die zich moet hebben voorgedaan in Gods boezem, vlak voor de schepping van de wereld. Zo weerklonk het in mijn hart, en het was alsof ik geen oren, geen ogen, of overige zintuigen meer bezat, noch nodig had.'

Wie was deze man, die op 21 maart 1685 als jongste zoon van de stadspijper Johann Ambrosius Bach in Eisenach werd geboren en overleed op 28 juli 1750, na twee mislukte oogoperaties en een slopende nabehandeling in Leipzig aan een beroerte, gevolgd door een hevige koorts. Was hij een geniale ambachtsman, een muzikale geleerde, de mysterieuze `wetgever van de ware harmonie'?

Ook al hebben we tegenwoordig gemakkelijk toegang tot de gegevens over Bachs leven en tot de complete werken en hun bronnen, dankzij de Bach-Dokumente en de Neue Bach-Ausgabe, en ook al kan iedereen bij de drogist om de hoek zijn complete bewaard gebleven muzikale oeuvre op spotgoedkope CD's kopen, we weten het nog steeds niet. En we zullen het ook nooit weten, ondanks de drie nieuwe biografieën die aan de vooravond van zijn 250ste sterfdag zijn verschenen, alle geschreven door Bach-kenners.

Bach zelf deed er bij zijn leven niet moeilijk over. Toen hij in 1735 begon aan een genealogie van zijn familie, een muzikale stamboom met de titel Ursprung den musicalisch-Bachischen Familie, schetste hij in `nr. 24' in summiere zinnen zijn zelfportret:

1 – Hofmusicus in Weimar bij Graaf Johann Ernst, anno 1703;

2 – Organist van de Neue Kirche te Arstadt, 1704;

3 – Organist aan de Blasiuskirche te Mühlhausen, anno 1707;

4 – Kamer- en hoforganist te Weimar, anno 1708;

5 – Concertmeester, tevens aan hetzelfde hof, anno 1714;

6 – Kapelmeester en Leider van de Kamermuziek aan het hof van Zijne Hoogheid Prins von Anhalt Cöthen, anno 1717;

7 – Werd vandaar anno 1723 naar Leipzig geroepen om muzikaal leider en Cantor aan de Thomasschule te worden, waar hij naar Gods wil nog steeds woont en tegelijkertijd ook Kapelmeester van Weissenfels en Köthen is.

Dat Bach in 1736, drie jaar nadat hij erom gevraagd had, zijn hoogste titel zou verwerven – `Hofcomponist aan het hof van Saksen en het Poolse Koninklijk hof' – kon hij toen nog niet weten. Zijn tweede zoon Carl Philipp Emanuel zou het later in het curriculum vitae bijschrijven.

Die zoon deed, kort na de dood van zijn vader, samen met Bach-leerling Agricola, een hartstochtelijke poging om Bachs nalatenschap te karakteriseren in de Necrologie. Bach wordt daarin aangeduid als `de grootste organist en klavierspeler die wij ooit hebben gekend'. Geroemd worden zijn gave om in één oogopslag het potentieel van een muzikaal thema te zien, het gemak waarmee hij partituren las, zijn muzikale gehoor en gaven als dirigent. Maar ook Bachs voorliefde voor een serieuze stijl zonder het komische te verwerpen, wordt geprezen, evenals zijn improvisatiekunst, zijn `ongekende precisie bij het uitvoeren', zijn uitvinding van een nieuw soort vingerzetting, zijn gedegen kennis van de orgelbouw, en het gemak waarmee hij klavecimbels stemde. Ten slotte wordt trots vermeld dat Bach, toen de meeste klavierspelers hooguit drie kruisen of mollen aandurfden door problemen met de stemming, `geen toonsoorten hoefde te vermijden vanwege de onzuiverheid.'

Op afzonderlijke stukken gaan Carl Philip Emanuel en Agricola niet in, want of het nu Das Wohltemperierte Klavier, het Orgelbüchlein, de Sonates en Partita's voor viool solo, de Brandenburgse Concerten, de Hohe Messe, de Matthäus Passion of de Kunst der Fuge betreft, de essentie van alle Bach-muziek wordt feilloos omschreven in het slot van de Necrologie: `Als ooit een componist de polyfonie in haar grootste kracht heeft getoond, was dat wel wijlen onze betreurde Bach. Als ooit een musicus de verborgen geheimen van de harmonie met de grootste kunstvaardigheid heeft blootgelegd, was het wel onze Bach. Niemand heeft ooit zo vele vernuftige en ongewone ideeën laten zien in ingewikkelde stukken die normaal droge oefeningen in vakmanschap lijken.'

Op de twaalf pagina's tellende Necrologie volgde in 1802 Über Johann Sebastian Bachs Leben, Kunst und Kunstwerke, de eerste Bach-monografie van Johann Nikolaus Forkel. Op basis van gesprekken met Carl Philipp Emanuel en Wilhelm Friedemann, de oudste zoon van Bach, werd daarin een eerste aanzet gegeven om Bach in al zijn veelzijdigheid te typeren. Het serieuze Bach-onderzoek was begonnen, en culmineerde ruim zeventig jaar later in Philipp Spitta's Johann Sebastian Bach. In die studie werden Bachs oeuvre en de schaarse biografische gegevens voor het eerst tegen een historische, sociaal-culturele achtergrond geplaatst. In 1908 ondernam Albert Schweitzer daartoe ook een poging in zijn J.S. Bach, le musicien-poète. Daarop volgden C.H.H. Parry en C.S. Terry met hun in Londen uitgegeven Bach-biografieën (1909 en 1929). Totdat Wolfgang Schmieder in 1950 de wereld verrastte met zijn Bach-Werke-Verzeichnis, bleef het Bach-onderzoek in wezen beperkt tot steentjes bijdragen aan Spitta.

Tweehonderd jaar na Bachs dood werd besloten tot de nu bijna voltooide Neue Bach-Ausgabe, waarbij nieuwe methoden om muzikale manuscripten te bestuderen (de analyse van papier, inkt, handschrift) werden beproefd. Alfred Dür en Georg von Dadelsen toonden aan dat bijna alle 150 kerkelijke cantates die Bach in Leipzig schreef in nog geen vier jaar waren geschreven – tussen 1723 en 1727 – alsof hij het project kerkmuziek in haast had willen afronden. Maar wat had Bach dan nog méér uitgevoerd in de 27 jaar van zijn bestaan als `Thomas Cantor'? Het werd tijd voor een fundamenteel nieuwe Bach-biografie. Er volgden honderden gedetailleerde (deel)studies, waarvan de titels inmiddels zes pagina's beslaan van de New Grove Muziek Encyclopedia. In 1966 leverden Hans T. David en Arthur Mendel een nuttige bijdrage met The Bach Reader. A Life of Johann Sebastia Bach in Letters and Documents. Maar pas in 1967 durfde Karl Geiringer een respectabele poging tot een nieuwe Bach-biografie aan. Zijn Johann Sebastian Bach. The culmination of an era werd in 1983 gevolgd door Bach van Malcolm Boyd, onderdeel van de `Master Musicians Series', maar beide schrijvers ontbeerden de noodzakelijke vertrouwdheid met en betrokkenheid bij het hoogst specialistische Bach-onderzoek.

En nu zijn er maar liefst drie nieuwe biografieën, nog net op tijd verschenen om de met concerten, congressen, balletten, toneelstukken, exposities en curiosa opgeluisterde 250ste sterfdag naar eer en geweten te kunnen meevieren. Het lang verwachte Johann Sebastian Bach van Christoph Wolff (1940), hoogleraar muziekwetenschappen aan de Universiteit van Harvard, is in alle opzichten beter dan de `biografie' Het ware leven van Johann Sebastian Bach van dramaturg, organist en muziekliefhebber Klaus Eidam (1926) en ook dan Bach van muziekwetenschapper, theoloog en filosoof Martin Geck (1936), allebei afkomstig uit de voormalige DDR. Dat hoeft niemand te verbazen: Wolff geldt al jaren als de grote Bach-specialist. Terecht, blijkens het genuanceerde en scherpzinnige monnikenwerk dat hij heeft verricht voor zijn 599 pagina's tellende biografische essay.

Wolff gaat ervan uit dat de muziek van Bach voor ons `wezenlijker en actueler' is dan diens levensverhaal. In een volgend boek belooft hij dan ook nader in te gaan op Bachs ontwikkeling als componist en een analyse te geven van zijn werken. In Johann Sebastian Bach. The Learned Musician werpt Wolff een verhelderend licht op het leven van Bach en het intellectuele kader van zijn kunstenaarschap. Hij slaagt daarin door bekende gegevens met kaleidoscopische vindingrijkheid te (her)ordenen, details bloot te leggen en bruggetjes te slaan, door als een fanatieke detective alles uit te pluizen wat in Bachs leven een rol kan hebben gespeeld. Een rode draad vormen Bachs uitzonderlijke intelligentie en leergierigheid. Een `gewone' Bach ging rond zijn vijftiende jaar van school om muzikant te worden. Maar Johann Sebastian besloot zélf op zijn veertiende dat hij het gymnasium wilde afmaken, ook al moest hij daarvoor verhuizen van Ohrdruf naar Lüneberg, ten gevolge waarvan hij met een schoolkameraad in minder dan twee weken meer dan 250 kilometer te voet aflegde.

In zijn nieuwe woonplaats stak Bach zijn licht op bij de organist Georg Böhm. Ook reisde hij regelmatig naar Hamburg, het Walhalla van de kerkorgels, waar de beroemde Johann Adam Reinken de scepter zwaaide. Later zou zijn leergierigheid hem ertoe brengen de wetten van polyfonie en harmonie volledig te doorgronden.

Muzikaal talent was het handelsmerk van de Bach-dynastie. En al was het talent van Johann Sebastian oneindig veel groter dan dat van zijn verwanten, het familienetwerk wees hem de weg, vanaf zijn eerste baantje als hofmuzikant in Weimar tot betrekkingen als organist, kapelmeester en Thomas-cantor. Uitvoerig gaat Wolff in op Bachs relatie met zijn oudere broer Johann Christoph, die organist was in Ohrdruf. Bach trok bij hem in, toen hij op zijn tiende wees werd. Van Johann Christoph leerde hij orgel en klavier bespelen, en door hem kwam hij in contact met nieuwe muziek uit Duitsland, Italië en Frankrijk, die zijn broer bij Pachelbel had leren kennen. Belangrijk was ook zijn oom Johann Christoph (`een diepzinnig componist', aldus Bach), van wie het onlangs in Kiev ontdekte motet `Lieber Herr Gott, wecke uns auf' door Bach vlak voor zijn dood werd bewerkt. En er was Johann Michael Bach (`een bekwaam componist'), de vader van zijn eerste vrouw, zijn achternicht Maria Barbara, die op 36-jarige leeftijd in Köthen stierf. Bach kreeg zeven kinderen met haar, van wie er vier in leven bleven. Haar dood en het huwelijk van de muzikale Prins Leopold met Friederike Henrietta Anhalt-Bernburg (die muziek haatte) dreven Bach vanuit Köthen naar Leipzig, met zijn tweede vrouw, de sopraan Anna Magdalena Wilcke. Met Anna Magdalena kreeg Bach dertien kinderen, van wie er zeven voortijdig stierven. Over Bach als vader vertelt Wolff onder meer dat hij, ondanks alle moeilijkheden waarmee hij te kampen kreeg, `vredelievend, rustig en onverstoorbaar' was.

Bach schoolde zijn zonen tot uitstekende musici, en hielp ze ook in hun latere carrière. Anna Magdalena gaf hij een zangvogeltje en gele anjers cadeau, vermeldt Wolff, hij dronk voorts graag wijn en was bijzonder gastvrij. De cantorswoning in Leipzig telde om precies te zijn 74,5 vierkante meter, die behalve door Bach zelf, Anna Magdalena, hun kinderen, de meiden en een zus van Maria Barbara, ook nog eens bewoond werden door Bachs leerlingen en gasten van heinde en verre. In de ruimte stonden bovendien acht klavecimbels, een klavecymbel met pedalen, twee klavecymbels met luitregister, een spinet, twee violen, een piccolo viool, drie altviolen, een viola pomposa, twee cello's, een viola da gamba en een luit. De instrumenten waren bedoeld voor eigen gebruik en voor Bachs leerlingen, en deels voor de verhuur. Aan die verhuur danken we het leukste briefje van Bach, die in zijn officiële brieven aan kerkbestuurders, stadsraden en vorsten meestal moeizaam en omslachtig formuleerde. `Herr Martius', schreef de geërgerde Thomas-cantor op 20 maart 1748 aan een klant: `Mijn geduld is nu op. Hoe lang denkt u dat ik nog moet wachten op mijn klavecimbel? Twee maanden zijn verstreken, en er is niets gebeurd. Het spijt me dat ik u dit moet schrijven, maar ik kan niet anders. U moet het instrument in goede orde terugbrengen, binnen vijf dagen, anders zijn we geen vrienden meer. Adieu!'

Door uit te gaan van de hoeveelheid muziekpapier die Bach verbruikte aan het Hof van Köthen, schat Wolff dat maar vijftien tot twintig procent van Bachs composities uit die periode bewaard is gebleven. In Weimar zijn vermoedelijk ruim tweehonderd composities verloren gegaan, terwijl zo'n veertig procent van de cantates die Bach in Leizig componeerde nooit is teruggevonden.

Volgens Wolff zijn de Brandenburgse Concerten overigens niet in Köthen ontstaan, maar in Weimar. Dáár leerde Bach de Italiaanse avantgarde al kennen, die hem ertoe inspireerde. Maar Wolffs grootste `ontdekking' is zijn opvatting dat Bach zichzelf zou hebben beschouwd als een `muzikale wetenschapper' in dienst van God, een componerende Newton die op zoek was naar de universele wetten van de harmonie. Vandaar de ondertitel van Wolffs boek, die helaas zal ontbreken in de Nederlandse vertaling bij uitgeverij Bijleveld, aangekondigd voor september. De ondertitel daarvan zal luiden: `zijn leven, zijn Werk, zijn Genie'. Merkwaardig, want juist `de geleerde Bach' vormt het uitgangspunt van Wolffs boek.

Wolff weet zijn opvatting over Bachs goddelijke missie aannemelijk te maken met een grote hoeveelheid citaten van onder anderen Abraham Birnbaum, een met Bach bevriende docent retorica aan de Universiteit van Leipzig. Birnbaum verdedigde de `geleerde' componist nadat Johann Adolph Scheibe hem in 1737 in het muziektijdschrift Der Critische Musicus neerbuigend had omschreven als een doorsnee `Musicant' die door menige natie bewonderd zou worden, áls hij maar `meer bevalligheid bezat en de natuurlijkheid in zijn stukken niet teniet deed door een bombastische, verwarde stijl, hun schoonheid niet verduisterde door teveel gekunsteldheid.' In zijn verdediging voerde Birnbaum aan dat het doel van de ware kunst is `het nabootsen van de natuur'. Bach zou als geen ander `de orde in de natuur en haar Goddelijke oorzaak' hebben verklankt. Volgens de astronoom Kepler was muziek immers een `afspiegeling van de harmonie van het universum'. Bachs muzikale structuren leverden daarvan het `goddelijke bewijs'.

Klaus Eidam trekt in zijn `biografie' op komische wijze ten strijde tegen alle onzin die er over Bach en zijn muziek is beweerd, waarbij vooral Spitta, Schweitzer en Geck het moeten ontgelden. Volgens Eidam was de geniale Bach een praktisch ingesteld `muziekdier'. Helaas vermeldt Eidam bij dit alles geen bronnen. Hij eindigt zijn relaas met de veelbetekenende zinnen: `Het is geen fantasie: er bestaat een relatie tussen Bachs muziek en een harmonie van de wereld. Daarover nogmaals de grote musicus Bernstein: ``Bach was een mens en geen god; maar hij was een man Gods en zijn muziek was van begin tot einde gezegend door God.' Inderdaad: hij verbindt ons met het Al.'

Ook Martin Geck, die met het zweverige elan van een musicoloog die tevens theoloog en filosoof wil zijn om Bach én diens werk heencirkelt als een valk die er net niet in slaagt zijn begeerde prooi te vangen, haalt in zijn boek van alles overhoop over Bachs universele muziek en de wereldharmonie, compleet met speculaties over de (getallen)symboliek in het werk van Bach. Hij ziet Bach als een zelfbewust musicus die ondanks de tegenwerking en onderwaardering waarmee hij te maken kreeg, zijn leven lang fel opkwam voor de waarde van zijn kunst. Geck laat echter de politieke, culturele, intellectuele en sociale Umwelt vrijwel buiten beschouwing, zodat zijn vaak aardige observaties in het luchtledige blijven hangen.

De grote Bach zélf zag het allemaal veel eenvoudiger. Hij componeerde muziek `ter ere van God en ter verstrooiïng van de ziel'. Bij gelegenheid verklaarde hij zelfs: `Wat ik door ijver en oefening heb bereikt, kan ieder ander met een redelijk natuurlijk talent en enige vaardigheid ook bereiken.'

Klaus Eidam: Het ware leven van Johann Sebastian Bach (vertaling van Das wahre Leben des Johann Sebastian Bach (Piper Verlag) door Jan Driessen. Open Domein. Arbeiderspers, 391 blz. ƒ69,95

Martin Geck: Bach.

Leben und Werk.

Rowohlt Verlag, 798 blz. ƒ67,–

Christoph Wolff: Johann Sebastian Bach. The learned Musician. Oxford University Press, 599 blz. ƒ104,50

In september verschijnt de Nederlandse vertaling bij uitgeverij Bijleveld.