Vermaak en drukte rond het kwaad

Tekstschrijver Oscar van Woensel laat er geen misverstand over bestaan: in ieder van ons schuilt een slecht mens, een angstwekkend wezen dat graag een knieval maakt voor het kwaad. De verschrikkingen in de wereld - oorlog, seriemoord, kindermoord - komen voort uit ieders geheime fascinatie voor het wrede. In het Openluchttheater van het Amsterdamse Bos speelt deze zomer De Magie van het Kwaad, een groots gemonteerde voorstelling met muziek waarin het kwaad niet afgewezen wordt, maar eerder verheerlijkt. `Waar het om gaat,' zingen de acteurs. `Niets wat zo zoet is/ Als de smaak van haat/ En je alles wat goed is/ Ver achter je laat/ De Magie van het Kwaad.' Een tartend uitgangsunt. Deze lofzang op de Demon, op Beëlzebub of Blauwbaard is, in een wereld waarin het kwaad aan de macht lijkt, als spelen met vuur. Je kunt aan Shakespeares Macbeth denken. Een delirische verheerlijking van het kwaad, dat uiteindelijk zichzelf te gronde richt. Dus toch `geluk' oplevert.

De ultieme personificatie van het kwaad is, anders dan je zou verwachten, niet De Sade maar de Franse maarschalk Gilles de Rais (1404-1440). Een bedwelmend aantal kinderen martelde, misbruikte en vermoordde hij. Hij genoot ervan. Het is de vraag of Theater het Amsterdamse Bos de hoge inzet waar kan maken. Allereerst is er teveel. Verhaallijnen, stijlen, scènes tuimelen in een dolgeworden wanorde op je af. De muziekband, die uitmunt in harde rock, bevindt zich op een reusachtig stellage. Ervoor, in het gras, een draaiplateau. Die verwijst naar het hellevuur waarin hoofdpersonage Gilles de Rais, vertolkt door Cees Geel, terecht zal komen. Brand doodde ook zijn medespeelster Jeanne d'Arc (Lies Visschedijk). In een fraai moment vat het plateau dan ook vlam en wordt a burning ring of fire.

Het feilen van de uitvoering ligt bij de acteurs. Zij moeten het stuk dragen, het ongeloofwaardige geloofwaardig maken. Hoofdrolspeler Cees Geel betoont zich een eendimensionaal speler. Regie en schrijver maken het hem ook niet makkelijk: hij is van meet af aan ter dood veroordeeld, de toeschouwers kijken naar zijn laatste tien seconden. Dit ontneemt Geel elke speelruimte om tot een rond karakter te komen, met als gevolg dat hij vanaf het vallen van de avond tot tegen middernacht als een granieten rots zijn onverbiddelijke moordlust én grenzenloos egoïsme blijft botvieren.

Met uitzondering van de actrices Bodil de la Parra en Ricky Koole geldt het onbehouwen, boertige acteren voor alle spelers. In de grotere scènes met burgers, hoeren, dronkenlui wordt het `herfsttij der middeleeuwen' wel zeer oppervlakkig benut. Het verhaal ontwikkelt zich al snel tot een onontwarbare kluwen, waarin historie en groteske elkaar zouden moeten afwisselen. Het lijkt of tekst en regie voortdurend met elkaar in de clinch liggen: Van Woensel moet een subtieler beeld voor ogen hebben gehad dan regisseur Frances Sanders ervan maakte. Zij wil vooral vermaak, drukte. Daarom ook vliegt de tekst er zonder enige spanning doorheen. De Magie van het kwaad zou zo scherp op de snede gespeeld moeten worden, dat de toeschouwer tot een moreel oordeel, of in elk geval een morele gedachtengang wordt uitgedaagd. Maar de gecharcheerd platte vorm verhindert dat. Dat is jammer. Morele dilemma's zijn toch al zo zeldzaam in het theater.

Gilles de RaisCS,pagina 3,