`Ik ben nog nooit mezelf geweest'

Janneke Peper: ,,Ik stond een keer op de bühne en ik had een migraine-aanval, verschrikkelijk! Dat vergeet ik mijn hele leven nooit weer. Overgeven en alles, ik ben toen van de bühne afgestapt en weggerend. Ik dacht: Ik smeer 'm, maar ik had een contract en ik was zo bang voor mijn vader...heb op het station mijn moeder gebeld.

Ik zeg: `Moeder, ik heb zo'n migraine, maar papa wil per se dat ik op het toneel blijf staan!'

`Kom maar gauw met de trein naar huis als papa je niet wegbrengen wil', zei ze. Maar ik had mijn spulletjes laten liggen dus ik moest weer terug. Ik moest van mijn vader. Al wou ik niet, ik moést! En ik had angst... Als ik eenmaal op de bühne stond, dan was het goed.

Als kind zong ik al. Ik was een natuurtalent. Ze zeiden over mij: `Janneke? Dat is een wonderkind'. Echt, `wonderkind' zeiden ze. Ik kon geen noot lezen, maar ik kon drummen, piano- en accordeon spelen en ik zong: Hollands, Engels, Duits, alles op gevoel.

Op mijn veertiende trad ik hier in Winschoten op in Hotel Beieren en daar was ook Gert Timmerman. Hij heeft mij ontdekt. Mijn ouders waren enigszins hoogmoedig, ijdel. Ze wisten niet hoe ze dat met mijn talent moesten aanpakken. Ze hadden geen mensenkennis. Ze waren goedgelovig en daar werd misbruik van gemaakt.

Ik ben wat stijf opgevoed door mijn ouders. Ze hielden me klein. Mijn moeder zei altijd: `Kind', zei ze dan, `kind, voor 't duister thuis zijn hoor!' Als Janneke maar niets overkomt, dat was hun grootste zorg. Ik heb met de band van Werner Müller alles bij elkaar zo'n acht plaatjes gemaakt. Toen mijn tweede plaatje Skibbelibabdi Baby uitkwam, heeft Paul Anka met Werner Müller gewed dat het een gouden plaat zou worden, maar dat is op het nippertje niet gebeurd.

Ik werd in Duitsland goed betaald, maar de enige die er wijzer van werd is Gert Timmerman. Mijn vriend heeft hem vervloekt. Die man heeft groot misbruik van mij gemaakt en er keihard geld mee verdiend. Da's waar hoor!

Ik moest vreselijk hard werken. Ik zat in vliegtuigen, in de auto naar Berlijn, naar Keulen, altijd met mijn vader. Vriendinnen kwamen niet meer, die zeiden: `Bekijk het even, jij bent steeds weg!' Een vriendje? Nee, mijn moeder en vader waren er altijd bij.

Ik zong op het Grand Gala du Disque. Ik heb ook nog een keer opgetreden in een televisiefilm met Catherina Valente en Silvio Francesco. In 1966 werd ik gevraagd voor het Songfestival in Knokke. Ik was zestien jaar! Van de Nederlandse ploeg was ik de jongste. We zaten 's middags voor de fotograaf op een vlot met Lou van Rees, onze manager. Toen ging het vlot kantelen, de hele boel duikelde om. Martine Bijl, Margie Ball, Karin Kent, Ronnie Tober – we kwamen allemaal in het water terecht.

We moesten heel erg lachen, maar ik was toch wel angstig. Ik kon niet zwemmen. We eindigden uiteindelijk als tweede. Ze gingen wel leuk met mij om hoor! Jaloezie was er niet bij. Ik heb nog een medaille liggen van Knokke, maar waar dat ding gebleven is?

Tot mijn achttiende heb ik gezongen. Toen ik in het Academisch Ziekenhuis terechtkwam was het voorbij. Ze wisten wel dat er iets aan mij mankeerde. Ik had altijd hoofdpijn, zo vreselijk. Ze hebben me volgespoten. Het sloeg op mijn spieren. Ik had de hele dag mijn mond openstaan, ik kon hem niet meer dicht krijgen. Mijn ouders kwamen me 's avonds opzoeken. Mijn vader heeft een verpleegster nog een bult geslagen. Wat daar toen gebeurd is... Ik was gewoon een proefkonijn.

Ik ben weer naar huis gegaan, naar mijn ouders. Het is daarna steeds erger geworden, die hoofdpijnen bleven, ik kreeg last van hallucinaties. Ben in verschillende inrichtingen opgenomen geweest.

Mijn vriend is al achtentwintig jaar bij me en hij staat overal voor, maar hij zegt: `Janneke je haalt soms dingen uit die niet kunnen, en dan moet ik dat maar weer oplossen!' Soms ben ik goed en dan weer niet – zoals de wind waait. Hij weet precies hoe ik in elkaar zit. In het begin kwamen er aldoor verslaggevers. Toen heeft mijn vriend gezegd: `Geen flauwekul, je moet niet in bladen zetten wat niet waar is'. Je weet hoe journalisten zijn hè? Ze komen met de wildste verhalen.

Een keer hoorden we op radio Noord: Skibbeldibabdibaby, maar dat was ík niet die dat zong, dat was een ander! Mijn vriend heeft gebeld. Hij wilde weten wie daar mijn liedje zong! Dat konden ze niet zeggen. Hij kreeg er geen antwoord op. Ze wilden hem ook niet met de studio doorverbinden. We hebben het ook nooit weer gehoord.

We hebben alles in een grote doos gegooid. Alles. Plakboeken vol. Die foto's. Het is me wat...Ik had allemaal pruiken, dan weer liep ik met gitzwart haar, dan was ik weer een brunette, dan weer lang, dan weer kort, ha ha ha, en brieven! Ik kreeg heel veel post, allemaal fanmail uit Duitsland: Liebe Janneke, Ich bin ganz begeistert von Dir. Bitte schick mir ein Bild mit deinem Autogramm. Zulke brieven.

Er zijn nog plaatopnamen van het Songfestival. Mijn vriend heeft een keer naar Polydor geschreven: nooit meer wat van gehoord. Er zijn er genoeg in omloop, maar je moet eens weten wat je voor een grammofoonplaatje van Janneke Peper betaalt! We mogen ze niet eens lenen.

Ik ben mijn hele leven nog nooit mezelf geweest. Ik ben altijd, en nog steeds, geleefd door andere mensen, en daar heb ik het moeilijk mee. Ik hou van rust. Drukte is niks voor mij.

Via het Riagg heb ik een speciale woning...Ik ben overgevoelig, angstig, daarom moet ik beschermd worden, zeggen ze. Ik ben vrij om te doen wat ik wil, hoor. Als er wat is, bel ik mijn vriend. Eten wordt bezorgd. Ik sta vroeg op, ontbijt, en dan ga ik mezelf een beetje verwennen. Het is vreemd met mij, dan is het net of er een duiveltje in mijn hoofd zit, dan koop ik dingen, dan wil ik alles hebben: nieuwe schoenen, nieuwe kleren en dan denk ik: `Je geeft zoveel geld uit, je houdt geen cent meer over'. Dat is dan weer een schuldgevoel, maar wat dat duiveltje in mijn hoofd zegt, dat doe ik. Denkbeeldige dingen moeten gebeuren. Nu gaat het wel, maar ik ben af en toen vreselijk depressief.

De buurman heeft een orgeltje en dan zing ik nog wel eens. Maar ik ken de woorden niet meer hè?