Etnische zuivering anno 1922

Tot in het begin van de vorige eeuw leefden Grieken en Turken vredig naast elkaar in Klein Azië. Niet op voet van volstrekte gelijkheid, gemengd maar niet vermengd, vormden zij een mozaïek waarin de rollen wederzijds waren geaccepteerd. De grote havenstad Smyrna (Turks: Izmir) werd gedomineerd door de Grieken, al vormden die misschien niet de meerderheid. Sociale frustraties en minderheidsproblematiek kwamen nauwelijks tot uiting. De Eerste Wereldoorlog, die van Griekenland een winnaar maakte en van Turkije een verliezer, heeft deze min of meer idyllische toestand grondig vernietigd. Het Turkse bewind besefte dat het weinig zin had om de Griekse jongemannen voor de sultan te laten vechten en bracht deze dienstplichtigen onder in zogenoemde werkbataljons, die in de praktijk de vernietiging van de christelijke jeugd beoogden. Deserteurs stonden aan niets ontziende vervolging bloot.

In 1919 voerde de Griekse overwinnaarsregering onder Elefthérios Venizélos landingen uit bij Smyrna, met instemming van Londen en Parijs, waardoor deze stad en omstreken echt `Grieks' werden. In een latere fase, nadat Venizélos electoraal was verslagen door koningsgezinden die zogenaamd de Griekse troepen weer thuis zouden brengen, kwam het tot een noodlottige veldtocht tot diep in Turkije, richting Ankara, tegen de herboren Turkse legers onder de nieuwe, nationalistische leider Kemal, de latere Atatürk. Dit leidde tot wat bij de Grieken de `catastrofe' heet: het verjagen en in zee drijven van de Griekse militairen en de Griekse bevolking van Klein Azië, de Pontus en Capadocië, aanvankelijk met geweld, later in het kader van de grote bevolkingsuitwisseling van 1925.

In 1962 schreef de nu 91-jarige Didó Sotiríou, zelf in Klein Azië geboren, de roman die men wel het `standaardwerk' over deze materie zou kunnen noemen: Matoména Chómata, of `Bebloede Aarde', die sindsdien talloze herdrukken heeft beleefd. Het boek is tot nu toe in negen talen overgebracht en daaronder is ook het Turks (onder de titel Merhaba Anadolu, `Vaarwel Anatolië'), zij het dat deze vertaling hier en daar wat is verkort. Het vond bij het Turkse publiek ingang, doordat ook om de Griekse wandaden niet is heengelopen. Al jaren is er sprake van een verfilming, die dan een Grieks-Turkse coproductie zou moeten worden. Nog niet zolang geleden heeft de schrijfster onder grote Turkse belangstelling haar geboortedorp bezocht.

Centrale figuur in de roman is de Griekse boerenzoon Manólis Axiótis, die eerst de werkbataljons overleeft, dan in het Griekse `bevrijdingsleger' wordt ingeschakeld en tenslotte het wederom gruwelijke Turkse krijgsgevangenkamp ontvlucht, de `brand van Smyrna' doormaakt en naar het Griekse moederland weet over te steken. Hij overleeft wel heel veel en bovendien heeft de schrijfster, met enig kunst- en vliegwerk, alles gedaan om ook nog te memoreren welke gruwelen de Armeniërs en de Grieken langs de Zwarte Zee (Pontiërs) hebben moeten doormaken. Ik zou niemand aanraden het boek in één adem uit te lezen, daarvoor zijn de kwellingen en ontberingen te veelvuldig.

Maar het is nu wel de juiste periode dit boek te behartigen. Het is immers dubbel actueel: aan de ene kant doen de vervolgingen en ontwortelingen op basis van religie denken aan wat er in ons tijdsgewricht op de Balkan gebeurt, en aan de andere kant levert de roman ook voortdurend materiaal voor de Grieks-Turkse toenadering die zo verrassend is begonnen na de aardbevingen die beide volken troffen.

Één ding valt de historisch geschoolde lezer op. De schrijfster laat geen gelegenheid onbenut om te memoreren welke dubbelhartige rol de westerse `grote mogendheden', met hun oliebelangen in de regio, hebben gespeeld. Maar in de linkse betrokkenheid, waaraan zij in de jaren twintig ten prooi was, verzuimt zij melding te maken van het feit dat ook de Sovjet-Unie al in een vroeg stadium de vriendschap van de nieuwe machthebber Mustafa Kemal zocht.

Veel lof verdient de vertaling, afgezien van het verschijnsel dat soms woordjes als `slechts' en `noch... noch' in de spreektaal opduiken, `hen' vaak `hun' moet zijn en er eenmaal sprake is van de `poten' van een paard. Andriëtte Stathi-Schoorel zorgde bovendien ook voor een verhelderend nawoord en voor prachtige illustraties.

Dido Sotiríou: Requiem voor Klein Azië. (Matoména Chómata),Uit het Nieuw-Grieks vertaald door Andriëtte Stathi-Schoorel. Het Griekse Eiland, 282 blz. ƒ35,-