Dialoog

Wandelen is heel simpel: je zet de ene voet schuin voor de andere, laat je lichaam wat voorover vallen en zet dan bijna vanzelf de andere voet weer schuin voor de ene om niet echt plat op de bek te gaan. Dit herhaal je. In normaal wandeltempo, zo'n drieduizend keer per uur. Dan loop je ongeveer vijf kilometer per uur. Vlug genoeg om op te schieten en langzaam genoeg om om je heen te kijken.

Want daar doe je het voor. Niet om ergens te arriveren, maar om onderweg te zijn, te kijken. Naar de afwisseling van het landschap, die soms groot, soms afwezig is. Naar de aardigheden van Moeder Natuur en de troep die mensen ervan en erin maken.

Soms kom je langs steden en dorpen. Soms kom je midden in nergens een mens tegen. Zoals die keer in het zuidoosten van Drenthe. Onderweg van Emmen via Klazienaveen richting Schoonebeek en dan verder Duitsland in. Daar is het landschap leeg. Daar wonen niet veel mensen. Het is de streek waar Nederland ineens ophoudt, hoewel het landschap doorgaat alsof er niets aan de hand is.

Het zandpad waarop ik liep ging over in een verhard fietspad. Van beton. Kaarsrecht. Kilometers lang strekte het pad zich voor mijn voeten uit. Ik kon nu al zien waar ik over een half uur zou lopen.

En ik zag hem. Eerst nog als iets kleins op een afstand van pakweg een kilometer of twee. Maar al dichterbij komend meer en meer in detail. Pet op, handen in de zakken, klompen aan de voeten, pijp in de mond. Een Drentse boer stond voor zijn boerderijtje het fietspad af te kijken. En zag mij.

Hoe lang doe je over twee kilometer? Twintig minuten?

Twintig minuten lang stond hij daar en keek hoe ik, onvermijdelijk over die betonnen strook, dichterbij kwam en langs hem zou wandelen. Twintig minuten lang veranderde die houding niet, kwam de pijp niet uit de mond, kwamen de handen niet uit de zakken en bleef de pet in mijn richting kijken. Twintig minuten lang zag hij mij afwisselend de ene voet voor de andere zetten. Toen was ik bij hem.

,,Zo'', zei hij, ,,aan de wandel?''

De pijp bleef in de mond, het accent was dat ietwat ronde dat Drenten en Twenten zo vriendelijk doet klinken. Wat zegt een mens in zo'n geval? Ontken het maar eens. Schaapachtig knikte ik en zei ,,Ja''. Dit was genoeg voor hem. Wij hadden een gesprek.

,,Woar goa je hin?'' wilde hij weten.

,,Vanavond wil ik in Schoonebeek zijn'', antwoordde ik.

,,Da's een heel eind weg'', zei hij, terwijl de blik wat verduisterde en er een frons onder de pet trok. Op de pet zag je in neonletters de achterliggende gedachte verschijnen. Dit kon niet normaal zijn. Dat iemand zo idioot was om naar Schoonebeek te lopen. Die moest wel gek zijn. Of nee, wacht eens, de blik klaarde weer op.

,,Heije doar familie wonen?'' opperde hij.

Neen, dat had ik niet. En daarmee was het gesprek voorbij. Het was duidelijk: ik was niet goed. Er mankeerde wat aan mij. Misschien was ik wel vriendelijk, maar het was beter niets meer te zeggen. Nog geen goeiendag vergezelde me toen ik de ene voet weer voor de andere zette.

Een kwartiertje later verliet mijn route het betonnen pad. Ik keek nog even om en ja hoor, hij stond er nog. Pet op. Handen in de zakken. Pijp in de mond. Kijkend naar iemand die naar Schoonebeek liep terwijl hij daar niet eens familie had.