Trou Moet Blycken

Ai, denkt ge nog wel

Ai, denkt ge nog wel aan de poot van het bankje,

Waar 'k menig verkoudheidje op heb gedaan,

Wanneer wij de deur op een kier lieten staan,

En beiden verdiept in het schijnsel der maan,

De suizende Zephyr zijn gang lieten gaan?

Ai, denkt ge nog wel aan de poot van het bankje,

Waarop ik zo menige zalige stond,

Zo menige weelde, aan uw zijde ondervond? –

Ai, denkt ge nog wel aan de poot van het bankje,

Die, toen mij uw kusje te driftig ontstak,

En toen 't in mijn oog stond te lezen: `Ik dankje!'

En toen – al te zwak

Ai, denkt ge nog wel aan de poot van het bankje,

Die toen al te zwak

De poot van het bankje, die brak?

J. Kerbert (1820-1890)

Mensen die verstand hebben van films en moderne romans hoor je nogal eens praten over suspense. Het lijkt een begrip uit de moderne ideeëntrommel. Suspense, dat is iets uit Hollywood. Toch kunnen we betekenis en techniek van deze suspense al goed bestuderen aan de hand van dit voor het eerst in 1844 verschenen Hollandse gedichtje.

't Heeft te maken met spanning, opgebouwd door uitstel. Of preciezer: suspense komt neer op de subtiele verhouding tussen informatie die je prijsgeeft en informatie die je achter de hand houdt. Het uitstel de vertraging komt tot stand door uitweidingen en afdwalingen. De afloop wordt steeds onvermijdelijker; pas op het laatst heeft de ontknoping plaats. Tot zover de definitie als het gaat om moderne cinema en romankunst. De definitie is ook geheel van toepassing op dit Ai, denkt ge nog wel uit het jaar van de eerste geïllustreerde tijdschriften en de Neue Gedichte van Heinrich Heine.

Dat er met de poot van het bankje iets vervelends aan de hand zou zijn wordt in de tweede regel

Waar 'k menig verkoudheidje op heb gedaan

onmiddellijk weggewimpeld. Verkoudheidjes zijn pas echt vervelend. 't Is logisch dat de aandacht van de Nederlandse lezer onmiddellijk en voor honderd procent zal uitgaan naar de verkoudheid. De dichter kent de reflexen van zijn publiek. De poot verdwijnt volkomen uit zicht als het ook nog eens om een romantische vrijage à la Hollandaise blijkt te gaan minnekozen op de tocht en met de maan binnenshuis. De dichter gooit er, om de eerste regel te isoleren, meteen maar viermaal hetzelfde rijm tegenaan: gedaan, staan, maan, gaan. Nét als de eerste regel bijna vergeten is staat hij er weer, als vijfde regel

Ai, denkt ge nog wel aan de poot van het bankje

vanzelfsprekend staat hij daar weer. Letterlijk in zijn oude gedaante. De dichter had hem niet zomaar geïsoleerd. Nu is hij de spilregel van het vers.

We beginnen nattigheid te ruiken.

De dichter gooit er, om ons reukorgaan te misleiden en ons opnieuw van de regel weg te lokken, weer een worst tegenaan, ditmaal een héél vette worst

Waarop ik zo menige zalige stond,

Zo menige weelde, aan uw zijde ondervond

– zalige stond, weelde aan de zijde: waar de argwaan groter wordt, dient er harder te worden gewerkt om de lezer om de tuin te leiden.

Báng, daar staat de regel weer.

Dat is precies die subtiliteit van het spel. De dichter maakt zijn afleiding intenser en de tussenpozen worden steeds korter. Hij stuwt ons, geheel volgens de suspense-wetten, naar het slot toe.

Hij probeert het verhaal nog te rekken. Het te driftige kusje, daar geeft hij eigenlijk al te veel prijs. Maar door het nu in de vorm van kleine plagerijtjes te gieten houdt hij het knap vol. Plaagstootjes die vooral niet te lang mogen duren: de drift van de kus, een eerste verstrengeling met het bankje door het op `Ik dankje' te laten rijmen en dan, onvermijdelijk, de korter wordende en hakkelende regels.

En toen al te zwak. Die toen al te zwak.

We zijn er bijna.

De cirkel wordt steeds nauwer om de poot van het bankje getrokken, tot hij er moederziel alleen bij staat en dan deerlijk breekt

De poot van het bankje, die brak

pas in de allerlaatste twee woorden na de komma breekt hij.

Op dat moment ook heeft dat ene woordje Ai aanvangswoord en onheilsverkondiging zijn diepere betekenis gekregen.

Zo kunnen we het begrip suspense niet alleen bestuderen aan de hand van Roman Polanski of Patricia Highsmith, maar ook aan die van J. Kerbert, een verder volstrekt onbekend negentiende-eeuws dichter. Hij leverde vier bijdragen aan de tweede jaargang van het satirische tijdschrift Braga (1842-1844). De handboeken zijn zeer schaars met biografische gegevens. Zelfs K. ter Laan, die in zijn Letterkundig woordenboek voor noord en zuid voor dat soort obscure namen nog wel eens uitkomst wil bieden, laat verstek gaan. Ook het Biographisch woordenboek der Noord- en Zuidnederlandsche letteren van Frederiks en Van den Branden geeft hem niet. Alleen bij A. Winkler Prins die in 1883 de Braga heruitgaf, met commentaar en onthulling van de auteursnamen die bij de oorspronkelijk anonieme bijdragen hoorden vinden we, en dan nog ergens in een voetnoot op bladzijde 329: `thans predikant te Zwolle'. Uit de inleiding van Winkler Prins valt verder op te maken dat J. Kerbert oud-lid van NEK was, een Amsterdamse studentenkring die elke woensdag tot laat in de nacht vergaderde `om het bestuderen van de beste dichtstukken uit de gouden eeuw (...) af te wisselen met het voorlezen van eigen voortbrengselen, met scherpe kritiek, met improvisatie, met vrolijke kout en gulle scherts.'

Je ziet het voor je, maar daar blijft het bij.

J. Kerbert was de auteur van een schoolvoorbeeld van een suspense-gedicht. Bij herlezing van het gedicht blijven we de charme ervaren, al weten we allang dat de poot van het bankje zal breken. We hebben plezier in de vaardigheid van de dichter. Onze voorkennis past juist in een moderne definitie. Suspense hangt er immers ten dele vanaf dat het publiek zich bewust is van een gevaar dat de medespelers in het verhaal nog onbekend is.