De navel der wereld

Een van de oudste gedrukte landkaarten toont de toenmalig bekende wereld in de vorm van een klavertjedrie met Europa, Azië en Afrika als de drie blaadjes. Ze komen samen in Jeruzalem, een stad die door joden al vroeg werd aangeduid als `de navel der wereld'. Dat was niet alleen topografisch juist, maar doet ook recht aan Jeruzalem als religieus brandpunt.

De Oude Stad van Jeruzalem – de navel van de navel – is één gigantisch, hoogommuurd gebouw. Het is een kilometer lang en breed, twintig meter hoog en zeker dertig diep. Waar je ook de spade in de bodem steekt, je treft resten aan van vijfduizend jaar stadsleven. Die resten bestaan niet alleen uit archeologische voorwerpen, maar ook uit tunnels onder en tot ver buiten het Jeruzalem-gebouw. Verder zijn er gangen en putten waar Jozef niet in zou misstaan, spelonken, grotten en steengroeven zó diep dat de bodem uit zicht verdwijnt. Met Jericho is Jeruzalem de oudste nog functionele stad.

Het gebouw zelf is een labyrint van straatjes, poorten, kelders, trappen, nissen, stegen, gaanderijen, gewelven, galerijen, graftombes en natuurlijk het dak, dat al even heuvelachtig is als de diverse straatniveaus. Over de daken, compleet met lawaaiige kippenhokken en de verbindende trappen, kun je over het hele gebouw lopen. Het geheel is via een beperkt aantal poorten toegankelijk, waardoor zich naast bedreigend compacte mensenmassa's ook handkarren en minitractors van de neringdoenden wringen. En mini-jeeps van het Israelische leger.

Deze gigantische barokke spons is ruwweg te scheiden in vier kwadranten waar respectievelijk Armeniërs, joden, byzantijns-Arabische christenen en moslim-Arabieren wonen en werken. Afhankelijk van de bezetting die er heerste, werden er duizenden jaren kwadranten verwoest of juist opgebouwd. Waar eens de eerste joodse tempel door de Babyloniërs verwoest werd, en de tweede door de Romeinen, staat nu de Omar moskee, na de zwarte steen van Mekka het heiligste moslim-monument.

Elke groep heeft heiligdommen die in grote dichtheid door het hele gebouw verspreid zijn en er met hun torens bovenuit prikken. De Armeniërs, die er sinds de zesde eeuw zitten, zijn het meest geïsoleerd. Banden met het moederland hebben ze nauwelijks, hun variant van christendom is niet aangeslagen, en archeologische vondsten van Armeense snit worden door de archeologen weer rap als oninteressant getypecast. Nadrukkelijk vragen de Armeniërs in een stoffig museumpje en op pamfletten met gruwelijke foto's erkenning voor de Armeense holocaust, hun aan het begin van deze eeuw aangedaan door Turkije. Anderhalf miljoen landgenoten werden om hun Armeen-zijn uitgeroeid.

De christelijke wijk wordt bevolkt door een mengelmoes van Turken, Arabieren en Zuid-Europeanen die behalve hun geloof weinig gemeen hebben. De Arabische wijk is de meest armoedige en dichtst bevolkte, en voelt zich sinds 1967, toen Israel het gebouw veroverde, het meest bezet. Het joodse kwadrant, dat toen grotendeels verwoest was, is voorbeeldig herbouwd; hele winkelstraten zijn op verschillende diepteniveaus hervonden en gerestaureerd.

De Klaagmuur is het ideologisch middelpunt, immer dichtbevolkt door biddende zwartgeklede vromen met zwarte (bont)hoeden. Deze buitenmuur van het voormalig tempelterrein is alleen te bereiken na tasseninspectie en een elektronisch poortje. Straatnamen worden aangegeven in het Hebreeuws, Engels en Arabisch. De Arabische namen zijn vaak onzichtbaar gemaakt met spuitbus of plakkers, naar Belgisch recept.

Havik Sharon heeft met onweerstaanbaar veel geld een groot huis midden in de moslim-wijk opgekocht. Een twintig meter hoge Israelische vlag bedekt de complete gevel en op het dak staat een metersgrote menorah (joodse kandelaar). Als provocatie is deze actie wonderwel geslaagd. Soldaten controleren overal papieren, maar bewaken ook broederlijk, samen met de Palestijnse tourist police, de toegang tot het voormalige tempelplein, met daarop de huidige Omar-moskee. Vanaf die plek worden geen stenen meer over de muur gekieperd om biddende joden te verpletteren. Het is eigenlijk wonderbaarlijk dat zich in de navel van Jeruzalem zo weinig incidenten voordoen. Dat kan niet van het Jeruzalem buiten de navel van de stad worden gezegd.

Sinds 1967 wordt er in koortsachtig tempo een Groot-Jeruzalem gebouwd, dat zich uitstrekt over de talrijke heuvels in de wijde omtrek. In Jeruzalem-steen, een prachtig lichtbeige soort natuursteen, worden de heuveltoppen volgebouwd met clusters terraswoningen in schitterende architectuur met een weids uitzicht op soortgelijke heuveltoppen, onderling via goede wegen verbonden. De dalen zijn eerder ravijnen. Ze blijven onbewoond en dienen vaak als stortplaats voor vuil en puin, tot oude auto's aan toe.

Arabische heuvels worden opgekocht, ingelijfd en top down bebouwd. De nieuwe bewoners zijn overwegend streng-vrome joden, onder wie uitgesproken fundamentalisten, die het leven van de meer liberaal ingestelde joden in toenemende mate onmogelijk maken. De streng-vromen sluiten hun straten op sabbat af, gooien naar goed Palestijns gebruik stenen naar wie toch probeert te rijden en genieten belastingvoordelen sinds er een streng-orthodoxe burgemeester is. Onlangs nog staken streng-vromen een christelijk logeerverblijf in brand dat zich binnen het gezichtsveld van hun orthodox-religieuze school (de zogenaamde yeshiwe) bevindt.

Wie aan een yeshiwe studeert hoeft niet in militaire dienst. Inschrijfbewijzen worden verhandeld. Dat zet kwaad bloed bij alle mannen en vrouwen die wèl in dienst moeten. Bussen in orthodoxe wijken hebben twee strikt gescheiden compartimenten voor mannen en vrouwen, opdat de godvruchtige mannen niet in onreinheid of verleiding geraken. In politieke coalities zijn de religieuzen onmisbaar, hetgeen hun buitenproportionele macht geeft. Liberale joden trekken weg uit Jeruzalem omdat ze zich in deze atmosfeer gewurgd voelen. Bij de ingang van een groot warenhuis in nieuw-Jeruzalem, zie ik hoe een zwart geklede vrome vader de jongste van zijn talrijke kroost een forse opvoedkundige oplawaai verkoopt. Het knaapje heeft nagelaten de mezoezah, die aan de deurpost van de winkel is bevestigd, met het voorgeschreven ritueel te groeten. Suizebollend en beteuterd kijkt hij zijn ongetwijfeld kosjere ijsje na dat hem bij deze tuchtiging uit de hand is gevlogen. Naar de filistijnen.