Pannen en pottenkijkers

Twee zusters uit de eerste decennia van 1900 woonden samen en hadden allebei een `baan buitenshuis' – zo heette dat in die tijd. Eerst hadden ze nog een huishoudster, maar toen dat fenomeen uit de tijd raakte gingen ze over op een meisje-voor-dag en-nacht. Ook die raakten, door sociale veranderingen op, en wat de laatste jaren restte was een werkster.

Bijkomend nadeel was dat het aantal luxueuze huishoudelijke klussen sterk moest worden ingekrompen. Bijvoorbeeld die altijd durende afwas-aanwas. Een vaatwasmachine aanschaffen? Nou nee, ze waren niet zo voor al die technische ondingen. Wisten er niet mee om te gaan. Die apparaten weigerden altijd dienst op de ongelukkigste momenten. De geboden service liet doorgaans bovendien lang op zich wachten.

De zusters waren gewend voor ieder kopje koffie of thee een schoon exemplaar te nemen. Ook vaatwerk of bestek werd nimmer twee keer gebruikt – veranderen wilden zij die gewoonte niet. Maar wat dan wel? Na langdurig beraad en nog langere aarzeling werd aldus besloten: géén dekschalen meer op de réchauds, maar de pannen rechtstreeks uit de keuken op tafel! Het waren wel keurige pannen hoor – van Gero Zilmeta – maar het was wel wennen. De zusters woonden al langer dan een halve eeuw in een vooroorlogse woning, met een voor die tijd gebruikelijke indeling: zitkamer met erker aan de voorzijde, glas-in-lood schuifdeuren, daarachter de huis-annex-eetkamer. Het huis lag aan een singel, ofwel water. In lang vervlogen tijden werd dit water bevolkt door horden kikkers, wier bruidsroep in het voorjaar zo luid was dat de bewoners hun ramen aan één zijde moesten sluiten om te kunnen slapen. Zwanen en hun nakomelingen, eenden en hun talrijk kroost – het was een druk bezwommen singel.

Maar bij de buren aan de overkant lag de echte moeilijkheid. Zij mochten namelijk niet zien dat bij die twee nette zusters de pannen op tafel kwamen. Omdat de schuifdeuren uit dat prehistorisch tijdperk zwaar over hun rails liepen, bleven zij meestal in hun verdekte remise – tussen de kasten. Aan de zitkamerkant hingen gordijnen, mooi als decoratie en meestal opzijgeschoven.

Maar door de nieuwe situatie moesten deze nu voor iedere maaltijd zorgvuldig worden dichtgeschoven. Geen kier werd vergeten. Bij de zusters zouden die overburen nooit een pan te zien krijgen, al hadden ze ogen op steeltjes gehad, of een sterke verrekijker. Ach, vergane glorie, vervlogen drukte om niets. Those were the long gone days.