De dood van mijn moeder

In het verpleeg- tehuis restte van het verzorgende moesje nog slechts een boos schimmetje. Wat oud worden doet met moeder en dochter. `Soms denk ik: ik heb drie moeders gehad.'

Uit mijn vakantiedagboek van zes jaar geleden: `Woensdagavond belde ik m'n moeder. `Een storende verrassing', zei ze en toen ik stilviel `of liever: een verrassende storing'. Wat ik wou. Morgenmiddag kom ik even bij je langs, zei ik, we gaan vrijdag voor drie weken weg. Donderdagavond. Ze heeft het weer voor elkaar gekregen mij zeer driftig te laten worden, door voor de zoveelste keer door te zaniken over mijn haar. Haatdragend, wraakzuchtig, spiteful. `Heb een fijne vakantie' kon er zelfs niet vanaf. Brullend van het huilen thuis gekomen, jankend en stampvoetend als een klein kind. Ed: Foute energie. Gewoon zeggen: `moeder, ik vind dit vervelend. Als je zo doet, kom ik niet meer'. Was het maar zo gemakkelijk.'

Deze notitie vond ik onlangs terug. Binnenkort gaan we weer drie weken op reis. Maar nu ga ik weg zonder dat drukkende gevoel in mijn achterhoofd. Sinds een jaar geen moeder meer die mij een schuldcomplex bezorgt (`Mam, ik kom heel vaak bij je, realiseer je je dat wel?' Maar ook: hoefde ik je maar niet meer te zien). Geen moeder die ik achterlaat in het verpleegtehuis, waar ze haar laatste levensjaar sleet. Mijn oude moeder die ik in de loop van de jaren steeds meer ja, wat? Was gaan haten? Nee, dat woord dekt de lading niet. Gehaat heb ik haar niet, wel heel veel last van haar gehad.

Soms denk ik: ik heb drie moeders gehad. Tot mijn twintigste de liefste, mooiste, leukste moeder van de wereld waar ik dol op was. En als ze zo nu en dan wat overbezorgd was, werd dat ruimschoots gecompenseerd. Je kon met haar praten over letterlijk alles. Niets vond ze gek, alles begreep ze. Sociaal bewogen was ze, politiek geëngageerd, gastvrij. Als ze iets verkeerds had gedaan, gaf ze dat ruiterlijk toe. Mijn vriendinnetjes en vriendjes benijdden mij om haar.

Op mijn twintigste – ik woonde op kamers – stierf plotseling mijn vader en ging zij noodgedwongen haar eigen brood verdienen. Ze moest veel op reis. In het begin miste ik haar, maar op den duur voelde ik me opgelucht dat ze er een tijdje niet was. Als ze terug was, vond ik haar grote belangstelling voor alles wat mij betrof, geen onverdeeld genoegen meer. Ze zat te veel op m'n lip. Maar hoe zeg je dat tegen een moeder die je niet wilt kwetsen? `Mam, het is mijn leven, als ik je nodig heb kom ik bij je. MAAR BEMOEI JE ER NIET MEE!' Ik zei het niet. En alles bij elkaar konden we heel goed met elkaar opschieten.

Tegen mijn veertigste stopte ze met werken. Daarna had ze nog een klein baantje hier, vrijwilligerswerk daar. Te weinig om haar levendige geest te voeden. Zelf nam ze de stap om naar een aanleunwoning te verhuizen in een prettig ouderencomplex; ze wilde ons niet tot last worden. Eerst vond ze het daar fijn en bekommerde ze zich om alles en iedereen. Ze voelde zich weer nuttig, leek op haar plek. Toen gingen in twee jaar tijd drie van haar levenslange vriendinnen dood. Mijn veel oudere broer ging in het buitenland wonen, zodat ze hem en de kleinkinderen nauwelijks meer zag. Langzaam maar zeker ging ze mensen van zich afstoten. `Wat is er nu nog aan mij te beleven?' Ze vond zichzelf niet interessant of mooi genoeg meer. En hoe ik ook het tegendeel beweerde en zei: dat maken wij wel uit, het baatte niet. Iedereen die opbelde of langs wilde komen, werd afgepoeierd. Met het gevolg dat ze zich jammerlijk verveelde, en klaagde over eenzaam zijn. Eigen schuld, vond ik. Maar ik begreep haar niet, zei ze. Wacht maar tot jij zo oud bent als ik.

Ten slotte ging ze haar depressie, want dat was het, op mij afreageren. Tegen mijn man was ze wel aardig. Tegen mijn oudste vriendin, die mocht blijven komen, ook. De enkele keer dat ze mijn broer zag, gedroeg ze zich goed, wat misverstanden veroorzaakte. Overdreef ik niet een beetje?

Nee, ik overdreef niet. Ik moest het ontgelden, jaren lang, en daar kon ik heel slecht tegen. Kinderachtig? Vast wel, maar ook al ben je een eind in de vijftig, je wilt gewaardeerd worden door je moeder. Niet week in week uit – ik heb er geen ander woord voor – worden afgezeken.

Het laatste jaar in het verpleegtehuis restte van het ooit zo verzorgde, verzorgende moesje nog slechts een boos schimmetje dat vloekte en tierde: `Wat doe ik in dit godvergeten oord?'

Op de ochtend dat de dokter belde dat het plotseling heel slecht ging, was ik toevallig thuis. Toen ze twee uur later doodging was ik erbij, kon ik haar hand vasthouden. Daar ben ik dankbaar om. In de rouw ben ik niet geweest. Van de moeder die ze eens was, had ik al jaren geleden afscheid genomen.

Raakte uw moeder voor haar sterven ook in een depressie? Of herkent u zichzelf anderszins in deze persoonlijke geschiedenis? Stuur uw reactie naar e-mailadres zok@nrc.nl of naar NRC Handelsblad, Zaterdags Bijvoegsel, o.v.v. Ouder & Kind, Postbus 8987, 3009 TH Rotterdam. Uw bijdrage moet donderdagochtend in ons bezit zijn.