Op oudvaders erf

Een `Heitelân' dat niet meer bestaat, en misschien zelfs nooit heeft bestaan, daarvoor verenigen zich deze maand duizenden Friezen bij Simmer 2000. Ter gelegenheid van de manifestatie verschenen een interviewbundel en een bloemlezing, als tastbare herinneringen.

Voor zijn lijvige interviewbundel Het wrede paradijs reisde de auteur Hylke Speerstra de wereld rond, op zoek naar Friezen om útens (in den vreemde), die wilden praten over hun leven voor en na de emigratie. Hij kwam in uithoeken als Paraguay, Brazilië, Canada, Venezuela, Australië, Zuid-Afrika en Nieuw-Zeeland. In laatstgenoemd land vond hij zijn oudoom Hantsje Speerstra, Old Hansy zoals hij daar heet, een gestudeerd, maar gedesillusioneerd man, die de laatste dagen van zijn bewogen leven (crisis, oorlog, jappenkamp) in een bejaardentehuis slijt. De interviewer vervoegde zich in het ouderencomplex Lexumgarden:

`Ik moest voor Hantsje Speerstra, zeiden ze, in de koffiezaal zijn waar vanmiddag zo'n dertig bejaarden bezig werden gehouden. Ik gok op de man met een ovale Friese kop aan de herentafel.'

`Een ovale Friese kop.'

Ik zou er niet op durven gokken een Fries aan zijn gezicht in een menigte te herkennen. Op het recente huwelijksjubileum van mijn ouders – vijftig stamboekexemplaren verzameld – trof ik muizengezichtjes aan, uitgestreken trekken, kogelronde koppen, en hoofden die pasten in raamwerken als vierkant, driehoek, parallellopipidum of rechthoek. Allemaal echte Friezen toch, dat wil zeggen: specimina van de soort die resulteerde uit vermenigvuldiging van Angelen en Jutten, als ik recente uitkomsten van stamboekonderzoek tenminste mag geloven. Of de koppen van het oorspronkelijke, verdwenen Friese volk, eens per jaar voor wetsbijeenkomsten onder de `Upstalbeam' verzameld, ovaal waren? Misschien.

Voor de eerlijkheid moet ik er bij zeggen dat Hylke Speerstra zelf vertelt dat hij er naast zat. De bejaarde met het ovale gezicht `blijkt een Schot te zijn die niet meer kan praten'. Meteen raken we benieuwd naar het gezicht van Old Hansy zelf, die nog uitstekend blijkt te kunnen praten, al komt er weinig vrolijks uit. Speerstra meldt dat het een man is `zonder vet op de ribben' en verder: `Bruine, oude ogen onder strenge, donkergrijze wenkbrauwen. Een half nieuwsgierige, half boze oogopslag.'

'Een ovale Friese kop'

Het is maar een half zinnetje uit een boek van 398 pagina's waar ik over struikelde, en dat heeft iets onrechtvaardigs. Je kunt óók zeggen dat Het wrede paradijs een rijke verzameling oral history bevat, die doet inzien waarom de bewoners van Friesland in zo groten getale het Heitelân verlieten en hoe ongewis het pioniersbestaan om útens was. Want dat is ook waar, net zoals men zich op vele plaatsen in Speerstra's boek verbaast over het opmerkelijke doorzettingsvermogen van al die emigranten, waarvan het merendeel beter heeft geboerd dan Old Hansy. Rechtvaardig is ook te zeggen dat de aanschaf van Het wrede paradijs verplicht zou moeten worden gesteld voor alle heimkerenden in het kader van de Simmer 2000-manifestatie, alsmede voor liefhebbers van de wielrensport. Laatstgenoemden vanwege het interview met baankampioen Tiemen Groen, de eersten omdat ze zichzelf ongetwijfeld op vele pagina's van Het wrede paradijs tegenkomen. In de verhalen over de frontier der welvaart, hoe men op een enkeling na kwam, zag en ondanks alles overwon, de platte romantiek van de pionier of de Zuid-Afrikaanse variant ervan – de `voorttrekker'. Verhalen zoals men die zelf graag vertelt.

Het is een raar fenomeen, die Simmer 2000-manifestatie, ongetwijfeld evenzeer aanleiding voor de verschijning van Speerstra's interviewbundel, als voor de nog lijviger bloemlezing Fries Stamboek. 500 Jaar proza uit Friesland die Alpita de Jong samenstelde. Vanwaar die plotselinge behoefte van de Friezen om hun vroegere medelanders terug te halen, vanwaar de emigrantenbehoefte om plotseling allemaal op hetzelfde moment terug te komen? Misschien komt de schok die een volstrekt veranderd landschap bezorgt (al die – sinds de langzame verdwijning van de homo agraricus – met bomen beplante stukken weiland, nieuwbouwwijken die het zicht op de oude, vertrouwde dorpskernen benemen) minder hard aan als men die samen met collega-landverhuizers beleeft. Zou kunnen. Wat vooral opvalt aan het nieuws in verband met Simmer 2000 is een romantiek die evenzeer van karton is als de tabaksbussen van het Zuid-Afrikaanse merk Voorttrekker in de jaren zestig. De emigrant die met toestemming van zijn wettige, Canadese echtgenote het eerste kusje nog eens overdoet met zijn intussen ook al bejaarde jeugdverkering die hij maar nooit kon vergeten. Een stel landverhuizers dat eenmaal terug in het Heitelân onmiddellijk gaat praten met de immigratiedienst, omdat ze niet meer weg willen, iets dat ze paginabreed in de wakkerste krant van Nederland laten uitmeten. Romantische kartonkoorts. De plattelandsmuziek met nostalgische teksten (`Als de zon over de weiden schijnt, en de boerderijen steken door het bomengroen, leeuweriken hoog in de lucht, huizen tegen dijken leunen, kieviten, grutto's, skûtjesilen, prachtig mooi, faldera') die door cabaretier Rients Gratama, de Kast en het Noord-Nederlands Orkest ten gehore worden gebracht. Alles getuigend van een werkelijkheid die al niet meer bestaat sinds de eerste Voorttrekker met de bus vertrok. En als men dan uiteindelijk na alle met pinktraantjes overgoten reünies weer naar den vreemde uitvliegt, heeft men in de koffer een Simmer 2000-certificaat (een ideetje van H.M. Provinciecommissaris Ed Nijpels), `omdat mensen graag een tastbare herinnering aan bijzondere gebeurtenissen willen hebben'.

Een identieke, bordkartonnen romantiek stoort enorm in Het wrede paradijs, afgezien van de kwaliteiten die ik al noemde. Het kan liggen aan de combinatie van Speerstra's literaire ambitie en zijn letterkundige onhandigheid. Een combinatie, die zinnen verklaart als `Het is een nachtstad die stinkt uit zijn adem, nagloeit als een veenbrand na een zinderende zonnedag', of `broeken en hemden die aan de waslijn hangen te swingen'. Het weeë in Het wrede paradijs zit echter eerder in simpel streekromanproza als `Eén geluk, Riemkje Heida hield haar jonge meisjesdromen', `Koning Winter die het roer overneemt', `De stationschef zinspeelde erop dat hij even lekker achter het gebreide vrouwenbroekje ging liggen' en `elke keer was er een moment van vreugdevolle emotie'.

Voor een deel zijn de stuitende hoeveelheid kromme zinnen in Het wrede paradijs natuurlijk ontvallen aan de monden van alle mensen die Speerstra interviewde. Op de talloze snoeverige, zelfingenomen uitspraken, hier en daar opgeschroefd tot niveau-Münchhausen, mogen we de auteur van Het wrede paradijs evenmin afrekenen. Het proza dat ik citeerde is echter beslist van de schrijver zelf. Van Speerstra's eigen hand is ook de hilarische verklaring voor het feit dat Tiemen Groen uit het Friese Follega zo hard kon fietsen: `Hij kon niet leven in een groep. Zelfs kon hij niet hardfietsen in en met een groep. Reed hij daarom als wielrenner het liefst alleen, en dan bij voorkeur ver voorop?'

De kampioensmedaille als bewijs van sociaal onvermogen – mooi. Speerstra zocht Tiemen Groen op in `het Wassenaar van de Westkaap' (Zuid-Afrika), waar hij alleen in een villa woont. Gestopt met een lucratieve carrière als antiquair zoals hij eerder met het fietsen stopte:

`Neem mijn reservefietsen, al die wielen, al de spullen gerust mee, zei ik. Ik ging me douchen, heb nog met de jongens meegegeten, spoorde mijn auto op en reed rechtuit-rechtaan naar tante Antje in Heiloo. Ik had een sleutel, ik trof ze aan in bed. Met de fietserij is het afgelopen, zei ik.'

Het Groen-stuk steekt met kop en schouders boven de andere interviews in Het wrede paradijs uit. Kennelijk is de onverstoorbare nuchterheid van de ex-wielrenner enigszins op de interviewer overgeslagen. Hij onthoudt zich van zijn kartonbusromantiek, van de mislukte imitaties van Bibebs sfeerbeschrijvingen en de paletvoering uit de Teleac-schilderlessen van Bob Ross. We vernemen evenmin iets over de ei-vormigheid van Groens gezicht, al staat de stugheid van diens kuif uiteraard model voor het karakter en vinden we opnieuw iets in de richting van ovaal: `wenkbrauwen die in de boog van de verbazing zijn opgetrokken'.

In de boog van de verbazing.

Speerstra blijft de provinciale optekenaar van `even lekker achter het gebreide vrouwenbroekje'.

Simmer 2000. `Een reunie van alle Friezen met alle Friezen in de zomer van 2000'. Of het inderdaad `alle met alle' wordt – voor een heuse telling heeft men de moed nog niet kunnen opbrengen. Een buitengewoon gelukkig gevolg heeft Simmer 2000 in ieder geval gehad: de verschijning van de monumentale bloemlezing Fries stamboek. 500 jaar proza uit Friesland, samengesteld door Alpita de Jong. In een degelijke inleiding komt ze natuurlijk niet heen om het ovale gezicht van de Friestalige literatuur en de Friese identiteit. De Jong lost het op een verstandige manier op, door te zeggen dat er onmiskenbaar sprake is van `het idee van een Friese identiteit'. Goed. Waar begin je in zo'n lijvige bloemlezing? Ik vind namen van grote Friese auteurs als Waling Dykstra, Eeltsje en Joast Hiddes Halbertsma, Hjerre Gjerrits van der Veen, Trinus Riemersma, Gysbert Japicx, Paulus Akkerman, Tsjebbe Hettinga, Hylkje Goinga. En stuit op de naam Hylke Speerstra. De Jong nam een fragment op uit diens De Koude erfenis. Verhalen van het ijs (1998):

`Ik snoof de vrieslucht op en het was me een weldaad'.

Duidelijk `een moment van vreugdevolle emotie'.

Terug naar de inhoudsopgave. Fries stamboek is ingedeeld in de afdelingen Grijs (1500/1780), Zwartbont (1780/1880), Rood- en zwartbont (1880/1940) en Spikkelbont (1940/2000), met een terecht intermezzo waarin een fragment is van de mystificatie Thet Oera Linda Bok, net als de Engelse Songs of Ossian een bundel van pseudo-, vroeg-middeleeuwse heldenverhalen. De Ossian-scam bleek van de Schotse dichter Macpherson, het Oera Linda Bok-raadsel (Joast Halbertsma en François Haverschmidt zijn wel als auteurs genoemd) werd nooit opgelost.

De vroegste afdeling in Fries stamboek bevat teksten van zeer uiteenlopend karakter. Over de koningen Karel en Redbad, de landrechten, het weer, over geesten (van Balthasar Bekker) en de leugenachtigheid van opperdoper Menno Simons. Erg leuk is dat Alpita de Jong bij haar keuze uit het dichtstuk Gevallen van Friso, Koning der Gangariden en prasiaten van Willem van Haren (1710-1768) een gedeelte uit de voorrede heeft opgenomen. Van Haren beschrijft een discussie tussen geleerden op een landelijke zomerdag in 1738. Onderwerp is de vraag `of het wel mogelijk en met de regels der waarschijnlijkheid en der Dichtkunst overeenkomstig zoude zijn, om stamvader Friso uit Indië naar de oevers van de Vliestroom te geleiden'. Een dergelijke voor-aziatische achtergrond zou een bloedrode lijn van Ganges naar de grootste Friese rivier van die dagen hebben gelegd, waarmee ook Zarathoestra zou zijn ingelijfd in het Friese gedachtengoed. De belangrijkste overweging om zijn vraag bevestigend te beantwoorden, zegt Van Haren, is deze: `De kroniekschrijvers waren het niet eens, te meer konde een dichter de aaneenschakeling der gebeurtenissen naar welgevallen schikken, ja dezelve vrijmachtig scheppen. De waarheid konde nergens in den weg zijn, noch beleedigd worden.'

Zo dicht staat de lezer niet vaak bij de wieg van een mythe.

Fraai is ook Friese Boerenpractica van de medicus Petrus Baardt (1590-?), een onorthodox dichtstuk in de taal van het volk, net als alle andere stukken in Fries stamboek gelukkig in het Nederlands vertaald. Wat zijn taken van de boer bij rode maan?

Kans op zon? Vergeet het maar!

Dan waait de landvast van de dijk,

Dan vliegen zeilen uit het lijk,

En ligt uw brein niet in de prak,

Dan bindt u latten op uw dak.

Verstevig ook uw korenmijt,

Of u raakt al uw zaaigoed kwijt.

Geen hoge poëzie in deze Friese variant op Cato's De Agricultura, toegegeven, maar het is de Stamboek-samenstelster vooral te doen om een beeld te geven wat er in de verschillende letterkundige genres zoal is verschenen door de eeuwen heen.

Dat wil niet zeggen dat er in Fries stamboek geen literaire toppers te vinden zijn. Een ontdekking vond ik het fragment dat De Jong uit de korte roman Leafdedea (`Liefdesdood'), oorspronkelijk als special van een literair tijdschrift verschenen, vergeten geraakt, en in 1998 herontdekt. De criticus (en dichter) Fedde Schurer noemde het bij eerste verschijning `een nogal vies verhaaltje'. Wat ons terugbrengt bij de door Hylke Speerstra dankbaar opgevoerde stationschef en diens vreugdevolle emotie in verband met gebreide vrouwenbroekjes. Waar zou Schurer over gevallen zijn? Misschien wel over de slachtfeestviering van de veertienjarigen Eabeltsje en Wibe, die hier en daar doet denken aan L'oeil (`Het oog') van Georges Bataille:

`Ze liet zich achterover vallen. Met beide handen wreef ze zich over haar buik. Wibe, die kleiner van postuur was, trok ze over zich heen. Een sterke, kruidige geur van zweet, geiten en slootmodder kwam bedwelmend op Wibe af. Ze schoof Wibe's broek naar beneden. Ze pakte met twee handen Wibe's onderlijf stevig vast en wreef met zijn buik over haar eigen buik. Ze greep zijn piemel en probeerde die bij haar binnen te werken. Dat viel niet mee. Wibe kon zijn mannelijkheid nog maar nauwelijks stijf houden. Na een paar mislukkingen kreeg ze het toch, min of meer, voor elkaar.'

Volgt, min of meer, een bevallingsscène. Eabeltsje propt hooi onder haar jurk, maar verliest dat.

`In plaats daarvan kwamen brandnetels die ze kermend en zuchtend in grote plukken met wortel en al uit de grond langs de gracht trok. Met kracht duwde ze de brandnetels onder haar jurk tegen de blote buik. Kermend van de aanhoudende brandnetelweeën ging Eabeltsje weer op het leger liggen, de benen uit elkaar.

``Zie je het hoofdje van het kind al?'

``Ja,' verzekerde Wibe, en hij trok een lange regenworm uit de natte grond die met de brandnetelwortels naar boven was gekomen. Voorzichtig legde hij het kronkelende beest in haar hand.'

Dan worden de kinderen geroepen en volgt een haastige huwelijksceremonie: Eabeltsje bijt de worm doormidden, eet de ene helft op, en dwingt Wibe de andere helft door te slikken.

```Goed zo,' zei Eabeltsje. `Wij hebben de trouwring voor eeuwig in de buik.''

Meteen na deze passage sla ik in Fries stamboek het fragment op, dat Alpita de Jong van criticaster Fedde Schurer uitkoos, een stuk uit diens statig geschreven memoires. `Ik heb de felheid van dit leven wel rondom mij voelen bruisen,' schrijft Schurer, `al begreep ik er niet veel van.' Daar is iets voor te zeggen.

Willen de bezoekers van het Friese oudvaders erf (âldfaers erf) in plaats van het Simmer 2000-certificaat, werkelijk een tastbare herinnering aan bijzondere, bruisende, meer of minder felle gebeurtenissen meenemen op hun terugreis naar den vreemde, iets `prachtig moois', dan is Fries stamboek natuurlijk de eerste keuze. Willen ze zichzelf (om de titel van Fedde Schurers bijdrage in deze bloemlezing te gebruiken) nog eens in `de beslagen spiegel' van de medelandverhuizers bekijken, willen ze daarna nog even lekker nagloeien – als een veenbrand na een zinderende zonnedag – dan is Hylke Speerstra's Het wrede paradijs beslist aangewezen lectuur.

Beide werken roepen een Friesland op dat in alle gevallen niet meer bestaat, en in sommige gevallen zelfs nooit hééft bestaan.

Hylke Speerstra: Het wrede paradijs. Het levensverhaal van de emigrant. Contact, 398 blz. ƒ49,90. (Uit het Fries vertaald met adviezen van Hylkje Goïnga: It wrede paradys. De Friese Pers ƒ39,50)

Alpita de Jong (samenstelling):

Fries Stamboek. 500 Jaar proza uit Friesland. Contact, 598 blz. ƒ79,90