Mooie Koreaanse krabbetjes

In alle landen vind je kippen. Kippen hebben vleugels, maar kunnen niet vliegen. Vroeger wel, en toen zijn ze overal naar toe gevlogen. Naar alle landen. Dat vliegen is nu niet meer nodig, omdat bijna alle kippen zijn waar ze willen zijn.

Misschien konden varkens vroeger ook vliegen. Want die vind je ook overal. Maar varkens hebben helemaal geen vleugels. Ja, dat is nu juist het raadsel. Waar zijn die vleugels gebleven? Daarom heeft niemand ooit varkensvleugel gegeten. Jammer, want dat was vast heel lekker op de barbecue.

Varkenskrabbetjes ken je misschien wel. Ze noemen ze ook spare-ribs, op z'n Amerikaans. Je hebt restaurants waar je zoveel spare-ribs kunt eten als je wilt. Maar omdat je niet mag blijven slapen lukt dat nooit.

Korea is een land dat heel ver weg ligt, maar ook daar zijn de varkens naar toe gevlogen. Als je wilt proeven hoe ze daar krabbetjes eten dan begin je met een stuk verse gemberwortel te schillen en samen met twee tenen knoflook ga je dat heel klein snijden. Zo klein als mogelijk is en dan nog kleiner. Het resultaat doe je in half kopje mais- of zonnebloemolie en je doet er nog een scheutje sesamolie en zoute soyasaus bij, die je allebei in de Chinese winkel hebt gekocht. Dan komt er iets heel Koreaans: een schep suiker. Wij vinden dat niet zo logisch klinken maar in Korea zeggen ze dat door die suiker de smaken aan elkaar vastgebonden worden. Zelfs die van de gemalen zwarte peper, die je ook niet mag vergeten.

Dit papje smeer je onder en boven op de krabbetjes (ongeveer 1 kilo), en je legt ze in een gesloten bak een dag en een nacht (of omgekeerd) in de koelkast.

Hebben jullie thuis iemand die goed kan barbecuen? Dat is wel nodig, want die vraag je om de rest te doen. Als de krabbetjes goed geroosterd zijn, vlak voordat iedereen begint te kluiven, strooi je er nog wat gesneden, vers groen korianderblad overheen.

Korea en koriander, logischer en mooier kan het niet.