Een stad richt zich te gronde

Op vrijdagavond 26 maart 1999 deed Milan Topalovic een dutje in zijn auto. Verderop doodden collega's van de eenheid `voor de zuivering en verdediging van Pec' de tijd met drank en sigaretten. Het was de derde dag van de NAVO-luchtaanvallen op Joegoslavië. De mannen was opgedragen een rij Servische huizen tegenover de legerkazerne van Pec te bewaken. De bewoners hadden hun kelders opgezocht. De soldaten hadden niets te doen, tegen de dreiging van boven was weinig te beginnen.

Milan Topalovic, geboren Hadri, was de zoon van Servische moeder en een Albanese vader die hij nooit had gekend. Tot de vorige ochtend had hij voor een dilemma gestaan. Hij kon Kosovo verlaten in een poging de mobilisatie te ontlopen, zoals hij zijn Albanese vrienden had beloofd. Of hij kon aantreden als reservist, zoals zijn Servische vrienden deden. Hij had gekozen, maar de consequenties van zijn keuze waren hem nog niet duidelijk. Voorlopig zat hij nog te slapen in zijn wagen. Alles veranderde toen hij wakker schrok van een serie harde klappen. Servische troepen vuurden granaten af op de Albanese wijk Zatra. Soldaten trokken de straten binnen. De etnische zuivering van Pec was begonnen. Milan kon niet meer terug.

De belevenissen van Milan Topalovic staan beschreven in Petra de Konings De dochter van de slager en andere verhalen uit Pec, een stad in Kosovo, een indringende monografie van een gemeenschap die zichzelf te gronde richtte. De Koning, verslaggeefster van NRC Handelsblad, reconstrueerde de oorlogsbiografieën van een paar dozijn Servische en Albanese inwoners van dit oude stadje in het westen van Kosovo, befaamd om zijn Servisch-orthodoxe kloosters. In korte verhalen zet zij uiteen hoe tussen eind maart en half juni vorig jaar de escalatie van de strijd tussen de ordetroepen en het UÇK, de inmenging van de NAVO en de etnische zuiveringen door Servische soldaten en paramilitairen de levens van stedelingen op hun kop zetten. Volgens het plan van de Servische bevelhebbers werden in drie dagen tijd tienduizenden Albanezen uit Pec verjaagd: op 27 maart werden de woonwijken ten zuiden van de rivier de Bistrica leeggehaald, de dag erna de noordzijde, daarna de buitenwijken. Van de 85.000 Albanezen die Pec telde, bleven slechts een paar honderd achter.

Bijna drie maanden later waren de rollen omgedraaid. NAVO-grondtroepen trokken Kosovo binnen. In Pec kwam een Servische uittocht op gang. De stad lag er gehavend bij, tweederde van het huizenbestand was door plunderaars platgebrand of kapotgeschoten. In het huis van zijn moeder pakte Milan Topalovic zijn cassettebandjes en vakantiefoto's in. Door de slechte legervoeding had hij bijna al zijn boventanden verloren, een longontsteking had hem uitgeput. In zijn rode Volkswagen Golf vertrok Milan naar familie in Podgorica, Montenegro.

Bij het verzamelen van materiaal voor De dochter van de slager is Petra de Koning niet over een nacht ijs gegaan. Tijdens en na de NAVO-luchtacties tekende ze getuigenissen op van Albanese vluchtelingen in Montenegro, van Albanezen die de oorlog in Pec hadden uitgezeten, van Servische burgers die tegen het einde hun biezen pakten, en van paramilitairen die in de stad hadden huisgehouden. De Koning legde de verhalen naast elkaar, vergeleek, verifieerde en reeg tenslotte de lapjes aaneen tot een genuanceerde en zeer leesbare kroniek. Ze plaatst haar beschrijvingen in details over het stratenplan en de stedelijke architectuur van Pec. Even veelzeggend is de historische en sociologische kaart van de stad die zij ontvouwt. Politieke spanningen, afgunst en oud zeer, maar ook burenhulp, kalverliefdes en familiegeschiedenissen komen aan bod. De fysieke verschijning van personen, hun bijnamen en hebbelijkheden, zelfs hun jeugddromen verweeft De Koning in de tekst waar dat voor een goed begrip van pas komt.

De titel van de bundel is minder terloops dan hij lijkt. Bij de introductie van ieder nieuw personage wijst De Koning op de relaties van die persoon met anderen in de stadsgemeenschap: de dochter van de slager, het liefje van de directeur, de neef van de militieleider. Minstens zoveel als om individuele geschiedenissen, draait het om de wijze waarop de levens van Serviërs en Albanezen in Pec met elkaar waren verknoopt. Het boek beschrijft inderdaad de geschiedenis van de slager Musa Bala en zijn dochtertje Dardane. Maar ook gaat het over Servische en Albanese buren in hetzelfde flatgebouw, over een Albanese ambtenaar die loyaal is aan Belgrado en de Slavische moslim die zijn secretaresse is, over Servische en Albanese zakenpartners, oude schoolvrienden, middenstanders en hun klanten, artsen en hun patiënten. Vóór de escalatie van de strijd in Kosovo waren sommige relaties innig en sommige gespannen, om persoonlijke of politieke redenen. Na de oorlog bleken veel banden onherstelbaar beschadigd.

De Koning is zeker niet de eerste journalist die op zoek ging naar de `alledaagse' oorlog in Joegoslavië. Sinds de desintegratie van de federale republiek in 1991 is een kleine bibliotheek aan reisverslagen, reportages en memoires verschenen. De identificatie met `gewone' mensen dient de lezer als middel om greep te krijgen op de onvoorstelbare oorlog. Een markant verschil tussen De dochter van de slager en het grootste deel van die boeken is dat De Koning haar eigen persoon buiten haar beschouwingen heeft gelaten. Ze is geen West-Europeaan op ontdekkingstocht in de Balkan. De in het genre meestal overvloedig aanwezige moraliserende opmerkingen of persoonlijke ontboezemingen van de verslaggevers, ontbreken in dit boek. Het taalgebruik is sober, op het kale af. De Koning laat de gruwelijke feiten voor zich spreken.

Gruwelijk was het, in Pec. Dat De Koning zich hoedt voor overdramatisering, blijkt onder meer uit deze eenvoudige maar daarom des te schrijnender passage over de manier waarop de oorlog ingreep in een vriendschap: `Zaterdag aan het eind van de ochtend stond Milan op straat in de wijk Brezenik, hij stuurde Albanese vluchtelingen naar het centrum, naar het plein voor Hotel Metohija. Hij droeg geen masker, geen zonnebril. Een Serviër uit zijn eenheid had 's ochtends vroeg een masker gebruikt omdat hij wist dat hij in Brezenik Albanese vrienden uit hun huizen zou moeten jagen. In het eerste huis waar een vriend woonde, had de Albanese jongen geroepen: `Slaviša, ben jij dat?' `Verdomme,' had Slavisa geroepen en hij had zijn masker afgerukt. `Hoe kan het dat je me herkent?' `Ik zag het aan je schoenen,' zei de jongen.'

Petra de Koning: De dochter van de slager en andere verhalen uit Pec, een stad in Kosovo.

Veen, 189 blz. ƒ34,90